Als artikel 1 van de Grondwet wordt geschrapt, vervalt ook de basis voor de artikelen over vrijheid van godsdienst én vrijheid van meningsuiting. VVD-leider Zalm heeft dus gelijk dat artikel 1 het meest waardevol is.
VVD leider Zalm stond in de kamer alleen in zijn kritiek op de gerechtelijke uitspraak in de zaak-El-Moumni. Zalm vindt het non-discriminatiebeginsel in de Grondwet (artikel 1) belangrijker dan de vrijheid van meningsuiting en de godsdienstvrijheid. De andere partijen vonden unaniem dat alle grondrechten gelijkwaardig behoren te zijn.
Zij vinden dus eigenlijk dat tussen de grondrechten niet gediscrimineerd mag worden in de zin dat de een meer waarde heeft dan de ander. Zonder zich ervan bewust te zijn, spreken ze daarmee in lijn van het non-discriminatie- en gelijkheidsprincipe van artikel 1. Dit lijkt een drogredenering maar is het zeker niet. Bekijken wij de vrijheid van godsdienst (artikel 6) in historische samenhang, dan zien we dat zij steunt op artikel 1.
Willem van Oranje was een van de eersten die hebben gevochten voor de vrijheid van godsdienst. Ieder individu had volgens hem het recht zijn eigen geloofsovertuiging te kiezen zonder dat hij daardoor object van discriminatie door andersdenkenden zou worden.
Stel nu dat we artikel 1 schrappen en artikel 6 laten bestaan. Dan zou het mogelijk zijn dat minderheden zoals moslims hun godsdienst vrij mogen belijden (zonder dat ze strafrechtelijk worden vervolgd), maar dat ze tevens op allerlei terreinen mogen worden gediscrimineerd en achtergesteld omdat ze de 'verkeerde' godsdienst aanhangen. In dat geval zou de vrijheid van godsdienst dus niets voorstellen. Hieruit blijkt dat artikel 1 het fundament is van artikel 6.
Veroordeelt een rechter op grond van de vrijheid van godsdienst discriminerende uitspraken niet, dan ziet hij kennelijk niet dat de vrijheid van godsdienst zelf rust op het principe van non-discriminatie.
Als artikel 6 voorrang krijgt op artikel 1, wat dus feitelijk niet kan, ontstaan er logischerwijs vreemde situaties. Neem de zaak-El-Moumni. El-Moumni is op grond van artikel 6 (de vrijheid van godsdienst) niet veroordeeld wegens discriminatie van homoseksuelen. Twee getuige-deskundigen (prof.dr.mr. R. Peters en prof.dr. E. Platti) werden bij de tweede zitting (het hoger beroep) gehoord om vast te stellen of El-Moumni's uitspraken in overeenstemming waren met de islam.
Beide getuigen stelden dat ze een perfecte weergave waren van het traditionele standpunt van moslimjuristen. Was dit niet zo geweest, dan was artikel 6 van de Grondwet niet van toepassing geweest en was El-Moumni vermoedelijk wegens discriminatie veroordeeld omdat hij als individu gesproken had. Nu hij namens een godsdienst met een grote aanhang onder de bevolking spreekt, vervalt de aanklacht terwijl het probleem alleen maar groter is geworden: plots lijken vele honderdduizenden gelegitimeerd om homoseksuelen te discrimineren. Dat kan nooit de bedoeling van de wetgever geweest zijn.
De uitspraak heeft nog een andere vreemde consequentie. Als men zich voorstelt dat ik op persoonlijke titel discriminerende uitspraken over homoseksuelen doe. Indien iemand als El-Moumni niet veroordeeld wordt wegens discriminatie van homoseksuelen wegens zijn godsdienst, en ik als ongelovige die op persoonlijke titel spreekt wel, betekent dat niet alleen dat artikel 6 voorrang krijgt op artikel 1, maar zelfs dat artikel 1 geschonden wordt. De rechter zou in dat geval discrimineren wegens godsdienst of levensovertuiging: El-Moumni is islamiet en wordt vrijgesproken. Ik ben geen islamiet en word veroordeeld voor hetzelfde vergrijp. In een gelijk geval worden twee mensen niet gelijk behandeld.
Enkele eeuwen geleden toen de vrijheid van godsdienst in Nederland niet bestond, hadden mensen als El-Moumni hier vermoedelijk geen normaal leven kunnen leiden. Het recht op godsdienstvrijheid is het schild dat onze rechtsstaat aan hem en zijn geloofsgenoten heeft gegeven om hen te beschermen tegen discriminatie van andersdenkenden.
Maar de rechter heeft toegestaan dat dat schild wordt gebruikt om er anderen mee te slaan.
Wat betreft de vrijheid van meningsuiting geldt hetzelfde als voor de vrijheid van godsdienst. Ook dit recht berust op het non-discriminatiebeginsel en dat kunnen we via een soortgelijke redenatie inzien. Stel dat ik mijn mening vrij mag verkondigen (zonder bang te hoeven zijn voor strafrechtelijke vervolging) maar dat ik op grond van die mening gediscrimineerd mag worden. Wat heb ik dan nog aan mijn vrijheid van meningsuiting? Dan is het een loze kreet.
Drs. Alexander von Schmid is docent ethiek aan de Hogeschool Rotterdam en filosofisch consulent.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.