*

 
dossier

Archief

Ongebreideld klaroengeschal

Mart Smeets − 23/02/02, 00:00

Ik heb het land lief zoals ik er ook van gruwel. Van het gedrag van de mensen. America the beautiful. God bless America, the land of the free and the home of the brave.

Niets vrij. Dapper soms wel, maar toch ook vooral naïef, kinderlijk, eenvoudig, zielig, bekrompen en onwetend.

De Spelen verlaten Salt Lake City in crisissfeer.

En ik durf het hier te stellen: dankzij George W. Bush. De president had niet tussen die atleten in moeten gaan staan bij de openingsceremonie. Hij had zijn brallende, gezwollen redes voor zich moeten houden, hij had zijn landgenoten niet op de gril moeten leggen en klaar moeten maken voor Amerika's wraakspelen.

Heus, ik kom er graag, maar ik ga er liever weer weg om er, niet veel later, weer snel weder te keren. Liefde en haat, zo heet dat.

Afgelopen weken greep het me bij de keel. De ontzagwekkende arrogantie om een sportfestijn te gebruiken om de nationale trots op te krikken, ging te ver.

Het ongebreidelde klaroengeschal dat Amerika zo groot, zo mooi, zo goed en zo onovertroffen is; het kwam je de keel uit. Het werkte in de laatste week van de Spelen zelfs contraproductief, want ik reageerde bij het horen van de uitslag van de ijshockeyfinale bij de vrouwen (door Canada van Amerika gewonnen) uiterst primair door yes! te roepen en dat is tekenend.

Mensen mogen van mij met vlaggen zwaaien en hun koppen onderverven en in de meest idiote pakken en haardossen bij sportwedstrijden verschijnen (zie wat 'wij' doen bij het schaatsen), maar wat de Amerikanen deden had niets met uiterlijkheden te maken, ben je gek!

Het niet te temmen gevoel van overmacht kwam vanuit de onderbuik van de zwaar gekwetste brandweerman of politieagent die aan de 11de september deed denken.

Iedere Amerikaanse zege was een genoegdoening, een zielenstreling en een teken van macht.

Iedere medaille-uitreiking werd aangegrepen voor ongekende nationalistische gevoelens en de Amerikaanse pers had nuancering en relativeren voor een poosje aan de kant geschoven.

Het waren de Amerikanen die de rel rond de Canadese kunstrijders begonnen; de vrije wereld tegen de boze vijand. Het waren de Amerikanen die bloed spuwden bij de Koreaanse shorttrackzege, die later omgebogen werd in een Yankee-overwinning, en het waren de Amerikanen die alles en iedereen omver juichten, omver zwaaiden en van deze Winterspelen eigenlijk een vervelend tuinfeestje maakten.

De McGames, eigenlijk. Vet, lawaaiig, ongezond en te veel met alles.

En ja, ik begrijp ze ook nog die infantiele Amerikanen die hier voor die berg aan Stars and Stripes zorgden, die nooit oog voor welke buitenlander hadden, omdat ze nauwelijks iets van welk buitenland dan ook weten. Ik doorzie de acties van Bush en van de lepe republikein Mitt Romney, de baas van de Spelen.

De Winterspelen als genoegdoening, als wraak, als een uiterste vorm van zelfbeklag dat over de ruggen van sleetjerijders, ijshockeyers en een zestienjarige kunstrijdster omgebogen werd tot nationale glorie. De wereld mocht meedoen.

Het massale 'USA, USA' was de angstkreet tegen een man met een baard met boze ideeën, die elders nog steeds niet gevonden is.

mailIcon print |