*

 
dossier

Archief

Ephimenco

Sylvain Ephimenco − 30/11/02, 00:00

Quand il est mort le poète, zong Gilbert Bécaud, tous ses amis pleuraient. Tijd voor tranen van verdriet nu dat de dichter heen is gegaan. Als een verdronken vlinder is hij in de blauwe lucht verdwenen, met op zijn vleugels van papier al die mooie teksten van hem.

Om het hoofd van vriend Boudewijn is de rook ook voorgoed verdwenen. Donderdag in Haarlem is Lennaert Nijgh plots alles vergeten wat is geweest, zelfs de vrienden van vroeger. Sterven al dan niet op het water, was een zorg voor later vond hij, maar later kwam afgelopen donderdag veel te vroeg. Ik heb Lennaert op een late avond in december 1973 ontmoet. Hij heeft het nooit geweten. In de nacht zo zacht als sneeuw viel hij als een ster op mijn jonge pad. Ik was zeventien jaar, sprak niet meer dan twee woorden Nederlands. Toch wel ruim voldoende voor een kerstvakantie in het verre land waar mijn nieuwe vriendin woonde. Gaat het goed? Dank u wel.

Daar op die zolderkamer aan de Rutger van Keulenstraat haalde iemand die lp uit zijn blauwe hoes. Vijf jaar hits. Eerste nummer van kant 1. Strand. Waar kun je liggen in het zand totdat je hele lijf verbrandt? Boudewijn ratelde die onmogelijke en onbegrijpelijke tekst af binnen de even onmogelijke tijd van 150 seconden. Waar ook weer? Aan de rand van Nederland! Mijn hoofd duizelde en ik kon me nergens aan vasthouden. Prompt rolde ik van het hete strand in de Noordzee. Wijd en koud. Is dit wat je noemt liefde op het eerste gehoor? Ongetwijfeld.

Natuurlijk zag ik aanvankelijk alleen maar de krullen en de snor van Boudewijn staan. Pas later, toen ik met de fameuze dubbel-lp in mijn koffer thuis arriveerde, ontdekte ik achter bijna al die liedjes in die exotische taal de naam van Lennaert Nijgh. Ik ben er nog steeds van overtuigd dat het dankzij de fluwelen aanraking van Lennaert en Boudewijn is, dat ik vandaag in het Nederlands schrijf. Want wie met de weerbarstige en rauwe grondstof dat het Nederlands is zoveel juwelen kan maken, moet op zijn minst een tovenaar zijn. En tovenaars bezitten een aanstekelijke magie. Ik weet niet waar deze reiziger heen is gegaan. Maar waar het ook mag zijn, geef hem een stoel, geef hem brood en droge kleren. Want de reiziger is thuis.

mailIcon print |