In de wet staat dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg is belast met de handhaving van de regels voor reclame voor geneesmiddelen en gunstbetoon aan beroepsbeoefenaren. Dit is een belangrijke taak, onder meer blijkend uit de talrijke zaken die de laatste tijd de publiciteit hebben gehaald. Het wekt daarom verbazing dat inspecteur-generaal voor de volksgezondheid Kingma in een interview in deze krant (de Verdieping, 19 juni) meldt dat zijn Inspectie deze taak gaat afstoten omdat dit niet tot de 'kerntaken' zou behoren. In de praktijk zou dat erop neerkomen dat de regels niet worden gehandhaafd. Merkwaardig, in een tijd waarin 'gedogen' niet meer wordt geaccepteerd.
Maar de inspecteur-generaal wil zich 'niet te veel aantrekken van de vier p's: pers, publiek, politiek en de perceptie van een probleem'. Toch zijn het de minister en de Tweede Kamer die de taak van de Inspectie bepalen. De Inspectie is niet onafhankelijker van de politiek dan bijvoorbeeld het openbaar ministerie.
Inhoudelijk is er echter wel aanleiding voor een discussie over de wijze waarop de handhaving moet plaatsvinden. Het openbaar ministerie dat belast is met de strafrechtelijke vervolging van de overtredingen, reageerde onmiddellijk op het interview en veroordeelde de zienswijze van de inspecteur. Als men daarmee heeft willen zeggen dat het onjuist zou zijn de hele handhaving op een laag pitje te zetten, heeft men daar gelijk in. Maar het OM zou ook moeten erkennen dat de zuiver strafrechtelijke handhaving misschien beter voor andere zaken gebruikt kan worden.
Andere handhavingsmogelijkheden voor vergrijpen waarvoor geen vrijheidsstraffen aan de orde komen, zijn bijvoorbeeld het tuchtrecht en de bestuurlijke boete. Het tuchtrecht wordt wel omschreven als een vorm van 'berechting in eigen kring'. Voordelen daarvan zijn de snelheid en de betrekkelijk informele procedure. Dat is aantrekkelijk voor degenen die voorstander zijn van zelfregulering, maar het zal voor deze branche onvoldoende waarborgen bieden.
Immers de belangen zijn groot en de op te leggen boetes navenant. De beklaagde zal voldoende formele waarborgen eisen, maar ook de onafhankelijkheid van het tuchtgerecht moet onomstreden zijn.
Een andere mogelijkheid is de bestuurlijke boete. Dit is een boete die wordt opgelegd door een bestuursorgaan, in casu de minister van volksgezondheid. Dat wil zeggen: een speciaal daarvoor aangewezen ambtenaar, werkend onder de directe politieke verantwoordelijkheid van de minister. Dat is een risico. Bekend is de 'Beste Els'-brief, die het Tweede-Kamerlid Bolkestein, commissaris bij een grote farmaceutische onderneming, in 1995 schreef, in een poging het beleid te beïnvloeden. Dergelijke pogingen vinden langs vele wegen plaats. De ambtenaar die de boetes moet opleggen, is dan wel bijzonder kwetsbaar.
Het beste lijkt een systeem van een bestuurlijke boete, op te leggen door een onafhankelijk orgaan samengesteld uit juristen en niet-juristen. Dus een mix van tuchtrecht en bestuurlijke boete.
Blijft het probleem van de opsporing. Zaken moeten aanhangig gemaakt kunnen worden door middel van klachten, maar opsporing is ook gewenst, met name waar het gaat om gunstbetoon. Misschien is het inderdaad geen taak voor de Inspectie voor de Volksgezondheid, maar dan zal er wel in de wet een ander orgaan voor aangewezen moeten worden. Dat zou de Economische Controledienst kunnen zijn, die zich ook bezighoudt met bijvoorbeeld verkeerde declaraties. Maar totdat het zover is, zal de Inspectie gewoon haar taak moeten blijven uitoefenen.
Hopelijk heeft de inspecteur-generaal dit ook zo bedoeld en is alleen de manier waarop hij de discussie is aangegaan, niet de meest elegante.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.