J. Kramer-Vreugdenhil promoveerde vorig jaar november aan de VU op de oorlogsgeschiedenis van de Walcherse dorpen Grijpskerke, Meliskerke en Aagtekerke. De keus voor Meliskerke lag voor de hand, schrijft ze, want daar groeide ze op. Ze vermeldt niet expliciet hoe dat zo kwam. Het staat wel op de achterflap: ze was de dochter van de gereformeerde predikant M. Vreugdenhil.
Dit niet-vermelden van de familieband in het boek kan ingegeven zijn door behoefte aan wetenschappelijke distantie. Maar er kan ook iets anders achter zitten. Kramer wil de mentaliteit van de dorpsbewoners beschrijven om van daaruit hun houding tegenover de Duitse bezetter te verklaren. Waren ze 'goed' of 'fout'? Een van hen, en niet de minste, was haar vader. Van hem wordt vooral verteld dat hij zich aanpaste aan de bezetter die, als door God ingestelde overheid, gehoorzaamd moest worden.
Haar vader was zeker niet 'fout', maar ook niet 'goed'. Het gebeurt niet vaak, dat ouderlijk oorlogsverleden ergens tussen 'goed' en 'fout' in kaart gebracht wordt. Het is meestal of goed 'goed' of goed 'fout'. Kramers proefschrift is daardoor opmerkelijk, om niet te zeggen moedig.
De gereformeerde kerk van Meliskerke was doorsnee, met één uitzondering: broeder 'Janse van Biggekerke', onder die naam toen een bekende Nederlander, althans onder gereformeerden. A. Janse, begonnen als landarbeider, was autodidact en hoofd van de christelijke school te Biggekerke. Hij stond midden in het gereformeerde theologisch debat, met boeken en tijdschriftartikelen. Begin jaren dertig schreef hij twee brochures, over fascisme en nationaal-socialisme, die hij beide scherp afwees. Tegelijk zag hij ze als oordeel over de Italiaanse en Duitse christenen vanwege hun 'afwijken achter andere goden'. Mussolini en de Duitse nazi's zag hij als door God gewilde, te gehoorzamen Overheden.
Janse was medewerker van De Reformatie, een kerkelijk blad, waaraan sinds 1935 ook Vreugdenhil meewerkte. Vreugdenhil schreef al net zo kritisch over Duitsland en Italië, maar ook hij verwachtte alleen redding van 'het totale wandelen naar Gods geboden'. De Reformatie was de spreekbuis van K. Schilder, de man van de Vrijmaking.
Om de verhouding tussen God en mens te beschrijven legde Schilder alle accent op het 'Verbond'. Bij Janse was dat niet anders. In zijn invloedrijkste boek 'Leven in het Verbond' (1937) berustte de heilszekerheid op het feit, dat God Zijn Verbond houdt. Janse zag dat als een objectief te constateren feit en hij moest niks hebben van innerlijke Godservaringen. Ook al kon God straffen, toch zou Hij zich als een betrouwbare partner houden aan Zijn Verbond.
Wie weigerde Zijn straf te accepteren, was ongehoorzaam aan Gods ordeningen en twijfelde daarmee aan de kracht van het Verbond en daarmee aan Gods betrouwbaarheid.
In de oorlog bleek deze theologie volledig inadequaat om de enormiteit van het nazi-kwaad te begrijpen. Het werd verharmlost tot straf van God vanwege 'het afwijken achter andere goden'. Met als gestraften voorop de Joden, die zich weigerden te bekeren. Vanwege haar tegenstand tegen de Ware Kerk was de synagoge een synagoge des Satans geworden, schreef Janse voor de oorlog en Schilder citeerde hem met instemming in De Reformatie. Dit standpunt voerde tot regelrechte collaboratie, tot de gehoorzaamheid van het verbondskind, dat maar al te goed begreep: God was boos, omdat de mensen zich niet bekeerden tot het Ware Kerk. Onderdanige onderwerping op grond van gereformeerde zelfverheffing.
Met Janse is het niet goed afgelopen. Na de oorlog werd hem zijn kiesrecht ontnomen en kreeg hij een schrijfverbod. Vreugdenhil zien we in Kramers dissertatie worstelen met Janse's geestelijke erfenis, die hij niet alleen in zichzelf aantrof, maar ook in zijn gemeente. Keer op keer nam gereformeerd Meliskerke een afwijkend, anti-verzet-standpunt in. Op haar kansel geen oproepen tegen de Arbeidsdienst, geen oproepen tot gastvrijheid voor weigeraars van deze dienst, ook al pleitte Vreugdenhil daar toen al wel voor. Zolang de bezetter gezien werd als instrument van Gods straffende hand, was verzet uit den boze en gehoorzaamheid eis. Pas toen de krijgskansen keerden, verdween die opvatting en zag men Gods hand liever in het oprukken van de geallieerde troepen, al bleef er moeite met Gods klaarblijkelijke keus voor het Rode Leger.
De vraag die Kramers boek oproept, maar die buiten haar bestek valt, is hoe het komt dat ondanks Janse de gereformeerden toch een bovenproportioneel aandeel in het verzet hebben gehad. Ik denk dat de basis daarvoor dezelfde was als die van Janse's gehoorzaamheid. Ook de verzetsgereformeerden voelden zich Gods verbondsgenoten. Alleen zagen zij de nazi's niet als straf van God, maar als aantasters van Zijn eer en hun principes. Zoals de ene groep haar roeping verstond als het lijdzaam ondergaan van de straf, zo zag de andere het verzet als haar roeping. Met in beide gevallen de bereidheid te gaan tot het laatste gaatje. Per slot waren ze beide gereformeerd.
In welke groep je terechtkwam, hing in hoofdzaak af van toevalligheden (wie ontmoette je?) en verder van aanleg (was je gauw bang?) en omstandigheden (had je een jong gezin?). Zo is goed of fout nooit een keus in het luchtledige geweest, maar moest bijvoorbeeld de jonge predikant Vreugdenhil zich losmaken van zijn leermeester Janse, waaraan hij een interessante start van zijn carrière te danken had. Hoe moeilijk dat ging, laat Kramer zien. Het boek moet soms met tranen in de ogen geschreven zijn.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.