De bejaarde wordt hoe langer hoe meer als een geluksvogel gezien die zwemt in het geld. Ten onrechte. Het zijn allereerst ouderen die lijden onder het gebrek aan thuiszorg of onder het bestaan van wachtlijsten in ziekenhuizen. Ouderen moeten een politiek agendapunt worden.
In de publiciteit overheersen overwegend de positieve aspecten van de ouderdom. Men kan zich ernstig afvragen of de negatieve aspecten niet onderbelicht blijven. Natuurlijk, er zijn veel ouderen die een tijd lang kunnen genieten van de oude dag, maar tegelijkertijd slaan ziekte, isolement en dood onontkoombaar toe. Eigenlijk zijn er dus twee zeer verschillende beelden, het ene positief, het andere negatief.
De term 'Zwitserleven' is zeer gangbaar geworden, vooral toegepast op ouderen. Krantenkoppen schreeuwen het uit: 'Ouderen: Vitaal, vrij en vermogend', 'Levenstijl van ouderen jeugdiger', 'De huidige ouderen gaat het goed'. En in de alledaagse gesprekken weet iedereen wel voorbeelden te noemen van krasse ouderen: 'hij is al tachtig en loopt nog een halve marathon' of 'zij schrijft nog boeken', reist naar Azië, enzovoorts.
Het wordt de mensen voorgehouden dat er gouden tijden aanbreken als men ouder wordt: veelal heeft men een eigen huis, waarvan de hypotheek is afgelost, men heeft geen studerende kinderen meer en dus -zo wordt gesuggereerd- geld genoeg: men moet vooral veel reizen, eventueel zelfs overwinteren en hobby's beoefenen, en vooral 'genieten'.
De commercie speelt daarop duidelijk in: speciale 55+-reizen en aanbiedingen om al die dingen te doen die eerder niet konden. Vanaf de middelbare leeftijd worden de mensen bestookt door verzekeringsmaatschappijen om koopsompolissen te sluiten voor de oudedagsvoorzieningen (ze spreken meestal niet over inflatie).
Nu is het onmiskenbaar waar, dat er bij de ouderen iets ingrijpend is veranderd. De gemiddelde levensduur is aanzienlijk toegenomen. Men heeft dan ook een nieuwe term geïntroduceerd: de jongbejaarden. Nu komt dit mede doordat ook de ondergrens van 'oud-zijn' steeds lager is komen te liggen -men kan met 55 jaar al lid worden van een ouderenbond- maar het gaat me hier om de 'klassieke' 65-plusser. Deze categorie ouderen is zichtbaar in het landschap: wandelend, fietsend, joggend. Maar ook door gegevens wordt ondersteund dat er zo'n nieuwe categorie groeiende is. Momenteel, in 2002, bedraagt het aantal mensen tussen 65 tot 75 jaar niet minder dan 1,2 miljoen. In 1975 (dus slechts 25 jaar geleden) waren dat er nog maar 930.000. Dit is een toename van ongeveer 30 procent.
Toch mag de andere keiharde waarheid niet worden vergeten -die betreft het tweede beeld dat bestaat van ouderen, het negatieve. Want het leven is weliswaar verlengd, maar de dood als einde is even onherroepelijk gebleven als ooit te voren en de weg er heen misschien zelfs verslechterd.
Het belangrijkste is dat men in de media, maar ook in wetenschappelijke rapporten meestal de sterftekans lijkt te vergeten. Beperken we ons even tot de jongbejaarden, dan bedraagt die sterftekans in de leeftijd van 65-69 jaar: voor mannen ongeveer 2,2 procent en voor vrouwen 1,15 procent; voor mannen in de leeftijd van 70-74 bedraagt de sterftekans ongeveer 3,8 procent, voor vrouwen van die leeftijd 2,0 procent.
Heel globaal genomen sterven er dus tussen 65- en 75-jarige leeftijd in die tien jaar bij de mannen 5 x 2% + 5 x 3,5% = 27,5%.
Dit betekent dat van 100 mannnen die 65 jaar zijn, er tien jaar later nog hoogstens 75 in leven zijn, ofwel: één van de vier is gestorven. Mensen in deze leeftijdscategorie komen dan ook vrij regelmatig op begrafenissen. Plastisch uitgedrukt, deze ouderen leven op een slagveld. Voor vrouwen verschuift dit patroon naar een iets latere leeftijd. Op hogere leeftijd nemen die sterftekansen natuurlijk nog sterk toe.
Een volgende punt is de toename van isolement: onderzoeker Th. Vis heeft voorgerekend dat van de duurzame relaties van mensen van omstreeks 60 jaar er twintig jaar later, dus op een leeftijd van omstreeks 80 jaar, er nog slechts een kwart is overgebleven. Ofwel één, ofwel beide partners zijn in driekwart van de gevallen overleden. Er zijn dan ook zeer veel verweduwden, alleen al meer dan een half miljoen weduwes van 65 jaar of ouder.
De tocht naar het levenseinde is dus met heel elementaire gegevens voldoende te kenschetsen. Hoewel het overbekend is hoe die tocht kan verlopen en hoe die afloopt, spreken we er wellicht liever niet te veel over. Dat is begrijpelijk in ons alledaagse leven, want men kan niet voortdurend bij alle bedreigingen stil staan. Het is echter helemaal niet begrijpelijk als men dat in wetenschappelijke rapporten over het hoofd ziet. Op zichzelf waardevol onderzoek over 'succesvol ouder worden' kan er gemakkelijk toe leiden dat de harde waarheid buiten beschouwing wordt gelaten. Soms is de onbedachtzaamheid echter wel erg groot. Zo lezen we in het persbericht van het boek 'Rapportage ouderen 2001' dat 'de leefsituatie van 55/74-jarigen weinig verschilt van die van 35/54-jarigen'. 'Veel problemen' -aldus gaat het bericht verder- 'ontstaan pas op hogere leeftijd'. Men heeft kennelijk de hierboven vermelde sterftekansen geheel over het hoofd gezien, want bij die ouderen verdwijnt in die twintig jaar ongeveer een derde, en bij die jongeren slechts enkele procenten.
Nog dubieuzer is een conclusie 'dat er er ook onder hoogbejaarden (85+) een relatief grote categorie is, die in een relatief goede gezondheid verkeert. Dat moge waar zijn, maar van dat leeftijdscohort heeft ruwweg 60 procent die leeftijd van 85 niet eens gehaald. Nog afgezien van de sterfte: Ook bij de overlevenden is het aantal mensen met chronische ziekten nog aanzienlijk.
Wat betekent het nu voor de politieke agenda als er, zoals zojuist geschetst, over de ouderen twee beelden bestaan met zeer verschillende waarheden. De indruk is gewettigd dat het eerste, positieve beeld (dat van de vitale jongbejaarden) in de publiciteit sterk overheerst.
Dit kan bij politici leiden tot weinig toeschietelijkheid voor problemen van ouderen. Bijvoorbeeld: nog niet zo lang geleden beweerde minister De Vries, dat armoede onder ouderen niet meer voorkomt. Zelfs als hij zich baseert op de enigszins aanvechtbare armoede studies, is zijn uitspraak feitelijk onjuist. Veel gegevens wijzen er immers op dat er wel degelijk honderdduizenden ouderen arm zijn, in het bijzonder alleenstaande vrouwen. Ook bij de belastingherziening 2001 circuleerden zeer onzorgvuldige berichten, want de lagere inkomens van ouderen gingen er verhoudingsgewijs beslist niet op vooruit, in tegenstelling tot hetgeen bewindslieden beweerden.
De achtergrond van dit soort geluiden is niet moeilijk te raden: ouderen kosten geld. Ook dat wordt in de publiciteit talloze malen vermeld en, o wee, hun aantal neemt steeds toe.
We concluderen dat op grond van eenzijdige beeldvorming politici gemakkelijk de gedachten van de zorg voor ouderen kunnen afwenden en dit ook feitelijk doen. Dan heeft men geen aandacht voor de lagere inkomens van velen, dan verwaarloost men de dringend noodzakelijk thuiszorg, dan aarzelt men de wachtlijsen in ziekenhuizen aan te pakken, dan verschaft men te weinig geld voor vervoer voor ouderen die nog enigszins aan het sociale leven willen deelnemen, dan zet men weinig vaart achter de vernieuwing van verpleeghuizen en dan wacht men veel te lang om wat aan de schrijnende personeelstekorten te doen. Tenslotte laat men de zorg in de allerlaatste levensfase (terminale zorg) vaak aan vrijwilligers over.
We hebben in Nederland -gelukkig- aandacht voor leed op de gehele wereld. Maar van de ouderen in ons eigen land worden de soms ongunstige omstandigheden te makkelijk over het hoofd gezien. Ze staan dicht bij de naderende dood en zijn vaak op een moeilijke weg daarheen. Ze verdienen een veel hogere plaats op de politieke agenda.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.