Tot drie keer toe heb ik het epistel 'hoe een allochtoon zich beroemd maakt' gelezen (Podium, 17 december).
Ik begin te begrijpen dat de schrijvers heel boos zijn, alleen weet ik niet op wie. In dit land is het gebruikelijk, als je in gesprek gaat met anderen, dat je de ander aanspreekt op zijn of haar naam. Helemaal als je in het openbaar in discussie gaat met de 'boze' buitenwereld. In deze democratie is het gebruikelijk om met een open vizier en de ander bij de naam noemend elkaar tegemoet te treden. De grote zwakte van het verhaal is dat er veel wordt gesuggereerd, dat anderen verdacht worden gemaakt. De schrijvers zeggen niet wat ze bedoelen en ze hebben geen respect voor de overwegingen van de ander. Het valt me van mensen die zich socioloog en politicoloog noemen erg tegen dat ze zo weinig geleerd hebben van de Nederlandse cultuur. Een cultuur waarin minstens één ding duidelijk is: als je spreekt, schrijft over en tegen een ander weet die ander altijd dat ze het over haar of hem hebben, want je naam is uitgesproken. En de buitenwereld hoort dat je het niet eens ben met welke opinie dan ook. De Nederlandse samenleving heeft onder meer één positief trekje: het volstrekt vrije en open woord. Van dat recht hebben deze schrijvers dankbaar gebruikgemaakt, alleen niet met open vizier.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.