*

 
dossier

Archief

exodus

door Nicolaas Matsier − 21/04/01, 00:00

De principieel naamloze god die in tegenstelling tot al zijn collega's in het Nabije Oosten van destijds in zijn eentje opereert - een fantastische vondst van dat schlemielige woestijnstaatje, ingeklemd tussen de twee grote cultuurgebieden van toen - krijgt in dit boek zijn naam. Nicolaas Matsier, die ongeregeld een bijbelboek bespreekt, over Exodus.

Wat een woest boek, Exodus, terwijl het over beteugeling gaat. Wat een grotesk boek ook, met zijn wel bijzonder weinig harmonische proporties en zijn uiterst monotone afwisseling tussen wat dan het verhaal moet heten - het verhaal van de uittocht uit Egypte - en wat in feite het pièce de r & lsquor;sistance genoemd mag worden; want in dit boek komen de Tien Geboden onder de ogen van de lezer tot stand. En niet alleen de Tien Geboden, er komt nog een enorme hoop hoogst diverse wetgeving achteraan. En alsof dat allemaal nog niet saai genoeg zou zijn, eindigt Exodus met een massa nauwkeurige beschrijvingen inzake de te bouwen Tabernakel, de reistempel om het zo maar eens te zeggen waarmee de twaalf stammen het tijdens hun veertigjarige omzwerving door de Sinaïwoestijn moeten doen. Welke bouwvoorschriften, om het de lezer nog eens extra in te scherpen, een eindje verderop vrolijkweg en bijna woordelijk nog weer eens herhaald worden, maar nu in termen van een bouw in daadwerkelijke uitvoering.

Wat misschien bovenal totstandkomt in Exodus, dat is een priesterklasse. Een priesterklasse die vooral in en door dit bijbelboek gelegitimeerd wordt; na welke legitimatie dan in het meest eigenlijke priesterboek, Leviticus, alle zaken nog eens tot in de meest fijnzinnige details naar hartelust gereguleerd kunnen worden. Maar daarover kom ik nog een keer apart te spreken.

Exodus is een wonderbaarlijk boek - ook in die zin dat hierin naar mijn stellige indruk (ik heb niet zitten turven) het grootste aantal wonderen van de hele Hebreeuwse bijbel dan wel het Oude Testament plaatsvindt. Mozes met zijn staf, Mozes met zijn handen - hij kan er wat van, deze vondeling uit de Nijl, die tot aanzegger en uitvoerder van de Tien Plagen gebombardeerd wordt door God, en die vervolgens het voormalige slavenvolk uitgeleide moet doen uit Egypte. Uitgeleide doen, want zelf zal hij het Heilige Land nimmer betreden. Hij is slechts de schakel tussen Jozef (die de rest van de zonen van Jakob naar het korenrijke Egypte heeft gehaald om hen te behoeden voor de hongersnood die anders hun lot zou zijn gebleven) en Jozua -Mozes' assistent en opvolger, onder wiens bevel het volk de Intocht mee zal maken.

Mozes is een centrale figuur, zou je kunnen zeggen, van de vijf eerste bijbelboeken, tezamen de Thora of de Pentateuch genoemd. Hij kan rustig vereenzelvigd worden met zowel het begrip Exodus of Uittocht, als met het hele proces van wetgeving in de woestijn dat daarop volgt - en dat vooraf gaat aan wat naar analogie de Intocht genoemd zou kunnen worden, onder leiding van Jozua, in het gelijknamige eerste boek na de Thora.

Hierbij is een soort van doorlopende scherpe Hebreeuwse ironie of misschien nog liever een toon die sardonisch genoemd zou kunnen worden, nooit ver uit de buurt. Er zit heel wat tong in de wang, in deze nogal zwijgzame en hoogst commentaarloze vertellingen en opsommingen.

Mozes' leven begint niet zo maar op voet van vondelingschap en adoptie, ook al heet hij dan af te stammen van een niet nader genoemde Leviet. Tot in zijn naam toe is hij een nieuwkomer. En al in zijn - Egyptische - naam lijkt iets als ironie de boventoon te voeren. Mozes heet namelijk alleen maar: Zoon-Van. Vertaald naar vaderlandse termen zou hij (naar verkiezing) ...sma, of ...inga kunnen heten. Misschien zou je zelfs kunnen zeggen dat hij eigenlijk Stippeltje Stippeltje heet.

In het Hebreeuws heet Exodus, naar het begin van het boek, Sjemoth, oftewel Namen. En nu is het fraaie dat de misschien meest echte hoofdpersoon van de Pentateuch (God, of laat ik iets voorzichtiger zeggen: de meer of minder onzichtbare, parallelle en transcendente hoofdpersoon die hij in en achter en rondom deze geschiedenissen en voorschriften is) in ditzelfde boek Exodus zijn - al evenzeer hoogst ondoorzichtige - 'naam' krijgt: JHWH. Het is met dit befaamde tetragrammaton, dit vierletterwoord, dat hij zich introduceert bij Mozes. JHWH zegt dus tegen Mozes, Zoon-Van (in antwoord op diens vraag met wie hij dan eigenlijk gesproken heeft, daar in die brandende braambos): 'JHWH'. Hetgeen betekent, al naar verkiezing: 'Ik ben die ik ben' of 'Ik ben die ik zijn zal' of 'Ik zal zijn wie ik zal zijn' of 'Ik ben wat ik doe' - om maar eens even vier van de mogelijke en principieel altijd betwistbare 'vertalingen' te noemen. Het klinkt bijna als: Dat zullen wij nog wel eens zien, mannetje.

Tja, dat 't nu toch weer HEER is geworden in de Nieuwe Bijbelvertaling; inclusief kun je dat met geen mogelijkheid noemen. Maar er zijn misschien ook wel grenzen aan dat feministische oprekken van deze teksten van zeg maar vijfentwintighonderd jaar oud. Van deze eigenlijk principieel naamloze god die in tegenstelling tot al zijn collega's in het Nabije Oosten van destijds in zijn eentje opereert - het blijft een fantastische vondst van dat schlemielige woestijnstaatje, ingeklemd tussen de twee grote cultuurgebieden van toen - van deze god kun je toch erg moeilijk beweren dat hij vrij zou zijn van machismo, of dat hij wezenlijk geslachtsloos of gendervrij gedacht zou kunnen worden. Dat lijkt me in elk geval nogal een toer.

Maar HEER, tsja. Zo kun je Adonai vertalen, zo kun je desgewenst die vier letters JHWH uitspreken, maar staan doet het er niet, HEER, ook al zijn het toevallig wel vier kapitalen. Maar staan doet daar nu juist een eigenlijk onuitspreekbare naam, die bijgevolg onvertaalbaar is. Ik vrees dat er verder eigenlijk geen verstandig woord over te zeggen is. Ik zou geloof ik die vier letters dan maar laten staan, gewoon. Als het niet gaat, dan gaat het niet. En het heeft wel wat, tegenwoordig - 't zou zó een moderne Amerikaanse firmanaam kunnen zijn. Initialen zijn in. JHWH Legal & Finance. Als de voorgeschiedenis niet zo beladen was, zou er vast wel iemand het lef hebben om onder die naam voor zichzelf te beginnen.

Goed, het duel tussen God en Mozes wordt uiteraard gewonnen door God, die heel lang geduldig blijft, maar ten slotte even uit zijn slof schiet. Mozes kan hulp krijgen van zijn broer, die als het ware de pr zal gaan doen. Overigens merk je daar verderop weinig of niets meer van. Maar het was zeker een tegemoetkomend gebaar van God tegenover een op zich begrijpelijke faalangst van Mozes.

Een duelachtig karakter heeft Exodus op vele plaatsen. Het volgende duel zal er een zijn tussen God en Farao die, dat moeten we niet vergeten, in Egypte ook zelf zoveel als een god is. Erg aardig is dat Mozes daarbij van tevoren goed wordt toegerust voor zijn missie. Als de pre- of protohistorische James Bond die hij - toch ook een beetje - is, wordt hij door God voorzien van een paar erg goeie, gloednieuwe gadgets. Of eigenlijk is het er maar één: zijn staf, waarmee hij wel tamelijk diverse opzienbarende dingen kan. En natuurlijk is er ook die hand van hem waarmee hij zichzelf melaats kan maken en vervolgens weer genezen.

De tien plagen zijn doortrokken van datzelfde duelachtige karakter: het is een tijdlang een soort wedstrijd tussen tovenaar Mozes en de sectie tovenaars van de Farao. Aanvankelijk laten ze zich niet kennen, maar ten slotte ruimen ze geruisloos het veld. Overigens niet dan nadat ze een tamelijk zinloze concurrerende actie ondernomen hebben: wanneer Mozes de Nijl in bloed heeft veranderd, doen zij dat óók - maar welk water het dan is dat nog vatbaar is voor hun kunsten, dat wordt nergens vermeld.

Enfin, ten slotte gaat het alleen nog tussen God en Farao, met het bekende slot van de tiende plaag waarbij alle eerstgeborenen in Egypteland eraan gaan, mensen en dieren gelijkelijk. Bij dat al kan een zekere monotonie aan al die plagen niet ontzegd worden. Er is onderhoudender proza. Maar een zeker gestileerd 'realisme' van de almaar grotere escalatie, ach ja, dat zou je er best in kunnen zien. Daar gaan ze dan, uit het diensthuis, de voormalige slaven. Met als laatste spektakelstuk - er zit ontegenzeggelijk heel veel in Exodus dat eeuwenlang naar verfilming gesnakt heeft - de doortocht door de Rode Zee dan wel de Schelfzee. Met Mozes in zijn misschien wel allermooiste uur: dat van de over de zee uitgestrekte hand.

Maar wat zeg ik? Mozes' mooiste uur, in termen van de cinema, is misschien toch veeleer de eerste keer dat hij van de Sinaï afgedaald komt: met de boven op die berg totstandgekomen twee Stenen Tafelen onder de armen. Hij weet nog niet van het Gouden Kalf en hij weet nog niet dat er een nieuwe set Stenen Tafelen vereist zal zijn omdat hij deze zo meteen in razende woede tegen de grond zal smijten.

Dat mythische veertigjarige verblijf in de

woestijn is een langdurig wonder op zich. En ook in deze setting zou je weer heel wat ironie kunnen zien. Het volk Israël, dat nog helemaal geen volk is, maar alleen maar een stel families met een God die keer op keer vruchtbaarheid en een grandioze toekomst beloofd heeft, vertoeft dus in de woestijn. Ze zijn onder Abraham weggetrokken uit het Tweestromenland van Eufraat en Tigris, en na een hoop gedoe zijn ze met hun allen in Egypte beland. Eerst waren ze daar dankzij Jozef in goeie doen, maar ze zijn geëindigd als slaven. En nu staan ze dan voor de tweede keer op het punt om dat beroemde land van melk en honing in te gaan. Maar het duurt allemaal wat lang, ook met die wetgeving. En veertig jaar lang manna uit de hemel eten, en kwartels; en water uit de rots geslagen moeten krijgen, dat valt niet mee. Een zekere verveling, achter dat gouden kalf, die kunnen wij ons hier nu heel goed voorstellen.

Die vruchtbaarheid hebben ze gekregen - maar op de verkeerde plaats. Want in Egypte, zo vertelt Exodus, woonden vóór de uittocht meer Hebreeën dan Egyptenaren. Het zijn de geestige en vergeeflijke overdrijvingen van een klein volk in de maak. Met een god die bij voorkeur in de woestijn, dat wil zeggen ver van de twee grote rivierbeschavingen van toen, zijn wet geeft. Een god die het ook nooit meer zo druk heeft gekregen als hier. Hij is voortdurend bezig, als wolk, als licht, als duisternis, als vuur, als vinger. Maar hij is bezig de boel over te doen aan een priesterkaste. Een mondelinge god is hier aan het verschriftelijken en dat doet hij metterdaad in Exodus. Hier is het dat de betrekkelijke oertijd en prehistorie van Genesis eindigen.

En misschien is de God van Israël nooit meer zo gelukkig geweest als hier in de Sinaï, in het bezit van een fraaie meeneembare tempel; dagelijks zorgend voor eten en drinken; aan het hoofd van een volk dat volledig van hem afhankelijk is; zonder concurrerende goden in de buurt. Het verschil, op dit moment, tussen een in meerdere opzichten eigenlijk niet zo heel ongewoon nomadenbestaan en de latere ballingschap bestaat uit het nog niet totstandgekomen kortstondige koninkrijk. Een koninkrijk dat zoals lezers van de bijbel weten weldra uiteen zal vallen; waarna diverse soorten van ballingschap zullen aanvangen.

En nu kunnen wij, met onze op dat punt behoorlijk modieus geïnflateerde taal wel vinden dat dat je van het is: expat zijn, nomade, allochtoon, migrant, balling - maar daar in de Sinaï werd er alleen maar van gedroomd, door een god met zijn volk (of omgekeerd): van een gesettled bestaan. In een mooie stad, aan een rivier; waar die nomadische noodtempel allicht ingeruild zou gaan worden voor een veel fraaier stenen exemplaar van de grootst mogelijke allure.

Recent verscheen 'En dit zijn de namen. Het boek Exodus', vertaald en van aantekeningen voorzien door Huub Oosterhuis en Alex van Heusden.

mailIcon print |