De Kamer keurt medisch gebruik van foetussen goed. Voor- en tegenstanders in het debat geven de indruk dat de samenleving over het gebruik van embryo's kan beschikken. Dat klopt niet. Alleen de ouders kunnen een (rest-)embryo bestemmen voor een medisch doel.
De ethicus Theo Boer houdt in zijn artikel over embryo-gebruik voor wetenschappelijke doeleinden ons nog maar eens het fenomeen van het hellende vlak voor waarop we ons bevinden in de medische ethiek (Podium, 11 januari). De antenne die dat registreert is volgens Boer het gevoel dat als marker van moral values er elementaire morele waarden op het spel staan. Z'n gevoel zegt hem dat onze samenleving onaangenaam versmalt.
Empiristische en rationalistische mensvisies hebben in de beleving van Boer geen oog voor de waarde van pril menselijk leven noch voor de waarde van gehandicapt leven, of voor de waarde van het leven in de laatste levensfase. Empiristisch en rationalistisch staan bij Boer gelijk aan abortus, aan verbruikend onderzoek met embryo's, aan achteloze omgang met gehandicapt leven en aan euthanasie.
Boer heeft gelijk in de opvatting dat het gevoel, de morele intuïtie, een belangrijke morele antenne is. Maar de ontvangen berichten dienen getoetst te worden. Immers ons gevoel is zeer wisselend vanwege stemmingen, gebeurtenissen en omstandigheden. Zo kan het voorkomen dat deze antenne in bepaalde omstandigheden vatbaar is voor specifieke signalen rondom abortus en euthanasie, bijvoorbeeld aan een theologische faculteit met relatief veel studenten met een behoudende achtergrond, zoals die aan de Universiteit Utrecht, waar Boer werkt. In deze context is het niet ondenkbaar dat euthanasie, abortus en embryo-onderzoek als exponenten van een godloze en empirische wereld worden beschouwd.
Wil de waarschuwing vanuit een theologische faculteit echter enig academisch gewicht hebben dan dient ze vergezeld te gaan van de gebruikte maatstaven, motieven en argumenten. Deze ontbreken in Boers artikel. Het artikel roept een onbestemde angst op. Wat ik hem kwalijk neem is niet dat hij 'waarschuwingssignalen' waarneemt, maar dat hij deze ongecensureerd de ether in slingert. Hij waarschuwt voor een afglijdende moraal, een 'hellend vlak', het scheppen van een verwerpelijke samenleving, zonder dat hij daar de gebruikte maatstaven voor geeft.
Zijn interpretatie van de ontwikkeling in de discussie over embryo's is niet alleen eenzijdig, maar van een redelijk alternatief is evenmin sprake. Dat mag men toch verwachten van een ethicus. De oorzaak daarvan is snel gevonden: Boers betoog onbeert een empirische en rationalistische analyse. Sterker: de rationalistische analyse werpt hij verre van zich. Dat is jammer, want die rationalistische benadering zou Boer kunnen behoeden voor de voetangels en klemmen die al vele eeuwen in de discussie over het embryo zitten, en waar hij nu intrapt.
Die analyse zou kunnen beginnen met de vraag of Boers uitgangspunten over de morele status van het embryo van voor '95, of liever: ontstaan in de vorige eeuw of beter: ontwikkeld in het christendom, wel als deugdelijk uitgangspunt kunnen dienen. Daarnaast is er de vraag of een moraal in een veranderende wereld en wetenschap stil kan blijven staan.
Het is evenwel niet ondenkbaar dat Boer zich deze vragen wel heeft gesteld, maar zich daaraan niet heeft willen branden. Dat Boer derhalve heeft gekozen voor een andere werkwijze die veelvuldig werd en wordt toegepast in de (christelijke) ethiek, zeker als het gaat over de omgang met het embryo, namelijk: het aanwakkeren van vertwijfeling ter wille van het 'grote' gelijk uit de eigen traditie. Het is evenwel zeer de vraag of kabinet en samenleving nog gevoelig zijn voor zulke 'angstsignalen'.
Dat neemt niet weg dat het gebruik van de zogenoemde restembryo's voor bepaalde onderzoeksdoeleinden rationele en relationele vragen oproept omtrent de morele rechten van het embryo, het ouderpaar en de samenleving. Over die morele rechten dient een maatschappelijk debat gevoerd te worden. Te beginnen met de vraag over de aanspraken die thans worden gemaakt op embryo's.
Wie de discussie volgt, krijgt de indruk dat het embryo collectief bezit is. Dat is naar mijn idee een misvatting. Het embryo ontstaat van oudsher binnen een relatie, met de bestemming van een nieuw leven. Dat alleen al geeft het embryo vanaf het prilste stadium een waarde voor de wensouders. Die waardering van de ouders dient gerespecteerd door de samenleving, ook door hen die daar om welke reden of om welke belangen dan ook anders over denken.
Dat sluit naar mijn mening de mogelijkheid niet uit dat ouders embryo's, die resteren na een ivf-behandeling, ter beschikking kunnen stellen voor specifieke wetenschappelijke doeleinden. Dit dient overigens pas te geschieden na een zorgvuldige informatieverstrekking en een zorgvuldige weging van de motieven en argumenten. Wie van de mens en in het bijzonder van de vrouw niet (opnieuw) een instrument wil maken, dient steeds opnieuw zorgvuldig na te denken over de toepassingen van embryonaal weefsel voor onderzoeksdoelen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.