*

 
dossier

Archief

Ephimenco

Sylvain Ephimenco − 22/01/02, 00:00

Ik verkeer natuurlijk in een comfortabele positie: die van de criticaster voor wie iedere oneffenheid in andermans leven een onderwerp kan vormen. Maar wat weet ik eigenlijk van de schaamte van het kind voor zijn foute vader? Hoe kan ik dan de leugen goed inschatten, die over je lippen rolt en bedoeld is om je verwekker in het openbaar te beschermen?

De schaamte voor de foute vader heb ik wel eens gevoeld. Een winteravond in het jaar 1973 in Zuid-Frankrijk. Jawel, ik ken dat sentiment. Met een van haat en woede verwrongen gezicht stormde hij het huis binnen. Hij zei geen woord en liep naar zijn slaapkamer. Beneden wachtte een politieauto met drie van zijn collega's. Uit de ouderlijke slaapkamer kwam een verontrustend geluid. Een soort gerinkel. Het waren kleine kogels met een goudkleurige huls en een zilveren kop. Hij was zijn oude dienstpistool aan het laden. Het pistool dat hij sinds jaren tussen twee stapels lakens in de kast verstopte en waarmee ik als stout kind stiekem speelde. Terwijl hij de stukjes metaal in het magazijn duwde vertelde hij zijn verhaal. De man, dat wist hij zeker, was een Arabier. Hij had mijn boodschappende moeder diep beledigd met zijn grove avances. Toen mijn vader uit de auto stapte om hem om uitleg te vragen, trok de onbekende Arabier een mes. Voordat hij wist wat er gebeurde, kreeg mijn vader een schop in zijn geslachtsdelen (wat later in een operatie zou resulteren) en viel op de grond. Zijn belager nam de benen. Maar nu zou hij wraak nemen. Zonder toestemming van zijn superieuren zou de politiebrigadier alle cafés en bars van de stad doorzoeken. En als de man dan nog een keer zijn mes durfde te trekken . . .

Bibberend heb ik een hele avond op hem zitten te wachten. En gedurende een hele avond heb ik me het kind van een racistische moordenaar gevoeld. Een sentiment van onmacht en schaamte tegelijk. Ook nadat hij, god zij dank onverrichter zake, terugkwam bleef de schaamte. Mijn held was hij voor een lange tijd niet meer. In een roman heb ik uiteindelijk de schaamte van me af geschreven en hield er een curieuze openingszin aan over: Mijn vader is mijn vader niet meer. Niets te maken natuurlijk met het andere verhaal dat ons bezig houdt. Toen ik mijn schaamte openbaarde verkeerde ik in de comfortabele positie van de schrijver die toch niet de ambitie koestert om koning te worden van een ver land.

mailIcon print |