*

 
dossier

Archief

Voorhoedes van de 'Vrije Geest'

Samuel de Lange − 23/10/02, 00:00

Of de sekte van de 'Broeders en Zusters van de Vrije Geest' ooit heeft bestaan, valt uit historische bronnen moeilijk af te leiden. Maar 'ketters' waren er in de Middeleeuwen genoeg, die hoog opgaven van de bevrijding en bevlogenheid die de Geest in hen bewerkte.

In de roman 'Het hermetisch zwart' (1968) van Marguérite Yourcenar komt een geheimzinnige passage voor. Een licht getikte ordebroeder vertelt de hoofdpersoon, de arts/alchemist Zeno dat er in het klooster waar hij is aangesteld rare dingen gebeuren: ,,De Engelen komen 's nachts bijeen,'' zei hij na een blik in de richting van de deur.

,,De wijnkan gaat rond; de kuip is klaar voor het bad der Engelen. Zij knielen voor het Maagdeken dat hen omhelst en kust; de dienares van het Maagdeken maakt haar lange vlechten los, en beiden zijn naakt als in het paradijs. De Engelen trekken hun wollen pijen uit en bewonderen elkaar in kleren van huid die God voor hen heeft gemaakt; de kaarsen branden en doven uit, en ieder volgt de begeerte van zijn hart.''

Deze bekentenis wordt Zeno gedaan halverwege de zestiende eeuw, over een sekte die al honderd jaar eerder zou zijn uitgeroeid, 'de Broeders en Zusters van de Vrije Geest'. Maar de liederlijke reputatie van de Engelen waarde nog rond, beweert Yourcenar in haar verantwoording aan het einde van het boek. Het 'Maagdeken' uit het fragment blijkt later een adellijke juffrouw die in een belendend klooster zit, maar 's nachts oversteekt. Ook deze overjarige ketters worden tenslotte opgerold, en Zeno wordt in hun ondergang meegetrokken.

De vraag of er echt zo'n vrijgevochten bende in enige vorm heeft bestaan, anders dan in de verbeelding van de inquisiteurs, is niet zo makkelijk te beantwoorden. De Engelse mediëvist Norman Cohn is er zeker van in zijn bekende boek over apocalyptische bewegingen 'De jacht op het Duizendjarig Rijk' (1957), en hij schaart hun optreden onder de wervende titel 'Een elite van amorele Übermenschen'.

Cohn weet ook te melden dat de mystica Marguérite van Porete, die in 1310 in Parijs als ketter werd verbrand, met haar boek 'De spiegel van de simpele zielen' een intellectuele onderbouw van de sekte heeft geschreven. Daarmee zou het een van de zeldzame geschriften van de beweging zijn, want op twee of drie twijfelachtige titels na, is alles over de Broeders en Zusters door hun vervolgers geschreven.

Malcolm Lambert daarentegen, de schrijver van een recenter boek, 'Middeleeuwse ketterij'(1977), vindt in Marguérite Porete's werk niets amoreels of übermenschliches. Hoogstens is het boek nogal aanmatigend over de grote vermogens van een ziel die zich van aardse beslommeringen, inclusief de sacramenten, bevrijd heeft.

Toch kon die zelfgenoegzaamheid al aanstoot geven. In de dertiende eeuw reageerden de autoriteiten gebeten op de mystieke exaltatie die bij volgelingen van bijvoorbeeld Meester Eckhart en Sint Franciscus de kop opstak, want persoonlijke genade concurreerde met de heilsmiddelen van de kerk, en armoedebewegingen bedreigden de feodale orde. In het noorden van Europa, langs Maas en Rijn, moesten vooral de begijnen en begarden het ontgelden, verzamelingen van geïnspireerde vrouwen en mannen die zonder veel orde of regel samenleefden en werkten. Bij verschillende gelegenheden in de dertiende en veertiende eeuw werden zij van pauswege veroordeeld, en in een bul van 1312 werd hun de 'weerzinwekkende sekte van de Vrije Geest' in de schoenen gewreven, compleet met de beschuldiging dat deze begijnen zich boven de zonde verheven waanden, en zich in wellust lieten gaan. Maar was er wel zo'n sekte, vraagt Lambert zich af. Nee, zegt hij, en die ontkenning geldt ook voor de radikalinski's die zich als derde orde, spiritualen of fraticelli en nog andere namen van de franciscaanse hoofdstroom hadden afgescheiden in Italië en Zuid-Frankrijk, en zich tegen wereldlijk en kerkelijk gezag keerden. Noordelijke begijnen en zuidelijke Franciscus-volgelingen gaven graag op van de bevrijding en bevlogenheid die de Geest in hen bewerkte, maar een vast programma of netwerk onbrak.

Net zomin als er een new-agesekte bestaat, bestonden de broeders en zusters van de Vrije Geest. Maar óók net zozeer, mag je wel zeggen. Want in die groepen en clubjes was wel een eendere geest werkzaam, waardoor je van een 'beweging' kunt spreken zoals die in de jaren zestig de kop opstak onder hippies, provo's en aanverwanten. De tijdgeest ontsnapte in dit geval uit een gereputeerde fles, en de naam van die denkbeeldige samenzwering tegen de goede orde was niet door paus of Inquisitie verzonnen.

De Italiaanse cisterciënzer monnik Joachim van Fiore (1130-1202) had in zijn mystieke uitleg van de Schrift gespeculeerd op een derde tijdperk waarin het rijk van de Geest zou aanbreken. Stond het Oude Testament in het teken van de Vader, na Christus' dood was het rijk van de Zoon aangebroken. In de toekomst zou alle materie vervluchtigen in de Geest, en alle poespas van kerk en maatschappij zou tot het verleden behoren. De abt was over de datum van die bevrijding van alle knellende banden niet al te duidelijk, maar het grote gehoor dat zijn merkwaardige eindtijdverwachting vond, kon niet wachten van verlangen.

Zo werd het begrip 'vrije geest' in de dertiende eeuw pasmunt dankzij de circulatie van de voorspellingen van Joachim van Fiore. Opstandige naturen zagen hun kans schoon met de hiërarchie af te rekenen, en een angstig gezag bespeurde in ontevreden commentaar de aankondiging van een omwenteling van alle waarden.

Die vrees was niet ongerijmd, al was er geen wereldomspannende organisatie van broeders en zusters.

Een collega van Yourcenar in de historische romantiek, Umberto Eco, laat in zijn 'De naam van de roos' (1980) een nog simpeler monnik dan die van Yourcenar zijn dwalingen opbiechten. Maar dat hoofdstuk over inquisitoriaal onderzoek wordt pas echt spannend als de ketter Dolcino ter sprake komt. Dolcino van Novara vaardigde in 1300 een manifest uit waarin hij de onmiddellijke inspiratie door de Heilige Geest voor zichzelf opeiste.

Samen met zijn 'zuster' Margarita voerde hij de apostelbroeders aan. Dolcino propageerde in Noord-Italië een grove vorm van Joachims voorspellingen. Een uit de dood opgestane Frederik II, Hohenstaufer keizer, zou de hele kliek van paus, prelaten, monniken en regulieren, binnen drie jaar over de kling jagen, en de apostolische armoede herstellen. De jaren verstreken, en de bende werd alleen maar meer in het nauw gebracht in de bergen van Piemont.

De aanklager in 'De naam van de roos' dikt de boel flink aan en insinueert ook dat er veel ongeregelde seks bedreven werd door de ketters. Zeker is dat de Apostelbroeders Joachims voorzegging graag een handje hielpen. Toch brachten plunderingen en moorden het rijk van de geest niet dichterbij, en conform de 'wet van de cognitieve dissonantie' die de Amerikaanse psycholoog Leon Festinger in de jaren vijftig voor dit soort apocalyptische sekten formuleerde, moesten de bendeleiders de voorspellingen steeds weer bijstellen.

Na een paar jaar jaren kat-en-muis in de bergen werd Dolcino gevangengenomen, en in 1307 werden hij en zijn Margarita naar de zeden van de tijd op wrede wijze ter dood gebracht.

Niet aan alle beschuldigingen die in de processtukken tot de ketters worden gericht hoeft de lezer geloof te hechten, zomin als aan alles wat in 'historische romans' staat. Maar buiten kijf is dat er veel religieuze voorhoedes zoals die van Dolcino hebben bestaan, die zich boven de wet verheven voelden. Zulke elites namen vast een voorschot op de vrijheden die eigenlijk aan een hemels Jeruzalem voorbehouden waren, zoals de Palestijnse zelfmoordenaars 70 maagden in het vooruitzicht worden gesteld.

Nog in 1975 antwoordde mijn vader Daniël de Lange op de vraag naar de betekenis van bewegingen als de pinkstergemeente: ,,Ik geloof dat de Geest bezit kan nemen van ieder. En dat betekent dat de hele hiërarchie, waarin de kerk de werking van de Geest heeft opgesloten, volgens mijn begrippen met het omhelzen van een authentieke spirit-movement naar de bliksem gaat.''

Ook Joachim van Fiore waren zijn ingevingen met Pinksteren, wanneer de bliksem van de Geest inslaat, te beurt gevallen. Zo'n idee van uitverkiezing gaat vaak samen met minachting voor anderen, en 'het derde Rijk' is een begrip van nietsontziende geestdrijverij geworden.

mailIcon print |