*

 
dossier

Archief

Een kleine, gestolen, Cambodjaanse danseres (12e eeuw) voor 20 000 dollar

Minka Nijhuis − 27/08/01, 00:00

Cambodjaanse agenten laten de lichtbundels van hun lantaarns langs de beelden strijken. Angkor Wat, het wereldberoemde tempelcomplex in het noordwesten van Cambodja, ligt er verlaten bij. Vanuit een klooster verderop klinken alleen de stemmen van monniken.

Sommige beelden zijn onthoofd, uit andere reliëfs zijn hele brokken steen verdwenen. Decennia was Angkor Wat doelwit van internationale kunstroof. De schade is voor elke bezoeker zichtbaar. Maar Cambodja heeft met succes de diefstal weten te stoppen. "Het is alweer twee jaar geleden dat we een dief hebben betrapt", zegt een van de agenten die de heiligdommen 24 uur per etmaal bewaken.

Dieven konden vrijelijk hun gang gaan in de chaotische jaren die Cambodja doormaakte na de val van het bewind van de Rode Khmer. Begin jaren negentig luidde de de VN-organisatie Unesco de noodklok over de teloorgang van het deels uit de negende eeuw stammende tempelcomplex. Met spoed werd Angkor Wat op de lijst van Unesco's cultureel erfgoed geplaatst. Frankrijk trainde 300 Cambodjaanse agenten, onder wie ex- soldaten van de Rode Khmer, om de tempels te bewaken. Waterdicht is het systeem niet, maar het grote plunderen is voorbij.

"Helaas heeft de kunstroof zich verplaatst naar tempels in meer afgelegen gebieden", zegt Tamara Teneishvili van Unesco. Ironisch genoeg is de diefstal toegenomen omdat in de gebieden mijnen zijn opgeruimd. Er zijn bewijzen dat Cambodjaanse militairen betrokken zijn bij de handel in kunstschatten.

In 1999 werd een complete muur ontvreemd uit Banteay Chhmar, een tempel die niet ver van de grens met Thailand ligt.

In dat land werden 117 stukken teruggevonden. Zo'n vangst is een uitzondering. "De illegale handel in gestolen kunst is een verfijnd netwerk, waarop moeilijk vat te krijgen is", zegt Teneishvili. Ook Hongkong en Singapore fungeren als doorgeefluik.

Zelfs gerenommeerde veilinghuizen als Sotheby's blijken gestolen waren aan te bieden. De internationale wetgeving tegen de illegale handel in gestolen kunst is niet afdoende.

Diefstal van kunst uit Angkor Wat heeft een lange geschiedenis. De Franse schrijver André Malraux werd al in 1924 betrapt met gestolen beelden uit het Cambodjaanse tempelcomplex. Nog altijd is de aan- en verkoop met opvallend weinig gêne omgeven. Een Europese zakenman sjouwt met een doos door de lobby van het hotel in de Cambodjaanse hoofdstad Phnom Penh. "Een beeld voor op kantoor", zegt hij trots. Hij geeft ruiterlijk toe dat het gestolen, antieke waar betreft.

Een bekend verkooppunt is ook het sjieke winkelcentrum River City in Bangkok. Een kleine apsara (danseres) uit Cambodja moet voor 20 000 dollar van de hand, vertelt de manager van de winkel. Het beeldje stamt uit de 12e eeuw. De manager windt er geen doekjes: de artikelen zijn gestolen.

Al is het voor kenners duidelijk dat de stukken uit de oude tempels van Cambodja komen, dan nog is het moeilijk te bewijzen. "De oude complexen zijn in hun oorspronkelijke staat niet voldoende gedocumenteerd", zegt Unesco-deskundige Teneishvili. Aan die inventarisatie wordt gewerkt. 'Plundering in Angkor' heet een boek dat een organisatie samenstelde. Het beschrijft ruim honderd verdwenen kunstschatten. Een aantal daarvan kwam inmiddels retour, onder andere vanuit het Metropolitan Museum in New York.

Maar Aziatische kunst is in de mode in het Westen en de vraag neemt alleen maar toe. De prachtige fotoboeken die de laatste jaren over de tempels van Cambodja verschenen zijn, fungeren zelfs als catalogus waaruit de klanten bestellen bij de handelaren. "Veel stukken komen terecht in privé collecties. Die vinden we nooit meer terug", zucht Teneishvili.

mailIcon print |