*

 
dossier

Archief

Vaandelvlucht Kok baart overbodige Srebrenica-enquête

Peter van der Heiden − 09/11/02, 00:00

Vrijwel alle vragen rond Srebrenica zijn beantwoord. Alleen over de consequenties in het kabinet van Voorhoeve's 'uitzichtloosheid' is nog onduidelijkheid. Maar dat rechtvaardigt geen nieuwe enquête.

In de politieke commotie rond de val van alweer een kabinet, zouden we bijna vergeten dat er dit jaar al eerder een kabinet tot een voortijdig einde kwam. Het kabinet-Kok trad in april af na de verschijning van het rapport van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (Niod) over de val van Srebrenica. Volgende week begint, ruim zeven jaar na dato, het openbare deel van de parlementaire enquête over hetzelfde onderwerp.

De val van deze safe area resulteerde in duizenden vermoorde moslims. Hoewel de oppositie al vrij snel aandrong op een parlementaire enquête, was hier geen kamermeerderheid voor te vinden. In plaats daarvan verleende het kabinet in 1996 het Niod een opdracht voor een historische studie naar het drama. Niet eerder dan in april van dit jaar presenteerde het Niod zijn rapport. Ondertussen was er al een rapport van de Verenigde Naties verschenen en had Frankrijk een parlementair onderzoek verricht.

In 2000 onderzocht de Tweede Kamer, ongeduldig geworden, de uitzending van militairen voor vredesmissies. En dan is er nog het rapport-Faber van het IKV, waarin het loslaten van het begrip 'lotsverbondenheid' met de moslims centraal staat. Er liggen dus al vijf rapporten over de val van Srebrenica en de uitzending van Nederlandse militairen. Wat voor nieuws kan een parlementaire enquête naar hetzelfde onderwerp nog brengen?

Bestudering van de onderzoeksonderwerpen van de enquêtecommissie stemt wat dat betreft weinig hoopvol. De commissie-Bakker richt zich voornamelijk op de besluitvorming rond de uitzending van Dutchbat, de invulling van het VN-mandaat, de consequenties van het kabinet uit de constatering van minister Voorhoeve dat de situatie in Srebrenica militair 'uitzichtloos' was, de beleidscoördinatie tijdens en na de val van de enclave, de invulling van de lotsverbondenheid en de vraag of er sprake is van een doofpot bij Defensie.

Het gros van deze vragen is allang beantwoord. Problemen rond de uitzending van militairen zijn al uitputtend in kaart gebracht door de Tijdelijke Commissie Besluitvorming Uitzendingen, de doofpot en de beleidscoördinatie zijn terug te vinden in het Niod-rapport, de ontoereikendheid van het VN-mandaat en de invulling daarvan zijn onderwerp van studie van zowel het Niod-rapport, het VN-rapport als het Franse rapport, terwijl de lotsverbondenheid in het rapport-Faber wordt beschreven. De enige nog niet beantwoorde vraag betreft die naar de consequenties in het kabinet van Voorhoeves 'uitzichtloosheid'. Het lijkt wat zwaar daarvoor een parlementaire enquête te starten.

Het is des te vreemder omdat het hoofdargument voor een historisch onderzoek juist was dat een onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek veel meer informatie boven water zou kunnen krijgen dan een enquête. Hoofdrolspelers in het drama zouden eerder geneigd zijn in de relatieve anonimiteit van het historisch onderzoek te getuigen, dan in openbare verhoren voor een enquêtecommissie, waar getuigen ook nog onder ede staan.

De selectieve vergeetachtigheid die met name politici en topambtenaren bij eerdere enquêtes ten toon spreidden, lijkt dat idee te staven. Toen eenmaal was besloten tot het Niod-onderzoek, werden initiatieven om alsnog een parlementaire enquête te houden onder verwijzing naar dat Niod-onderzoek afgehouden. Om nu alsnog over te gaan tot een enquête, is niet alleen een diskwalificatie van het Niod-rapport, maar bestempelt de gang van zaken ook tot een grote uitsteloperatie.

Blijkbaar was het voor een Kamermeerderheid opportuun om met een parlementaire enquête te wachten tot alle betrokken bewindslieden van het politieke toneel waren verdwenen.

Dat moment brak aan met het aftreden van het tweede kabinet-Kok. Enkele dagen na de presentatie van het Niod-rapport diende Kok het ontslag van het kabinet in. Hij nam -in zijn eigen woorden- de verantwoordelijkheid voor het falen van de internationale gemeenschap, en Nederland als lid daarvan, bij de bescherming van de moslimenclave. De internationale gemeenschap kon niet aftreden, het Nederlandse kabinet wél. Hoewel het nemen van verantwoordelijkheid voor een zo dramatische gebeurtenis op zichzelf toe te juichen is, vallen er bij het moment waarop wel wat vraagtekens te zetten. Kok nam zijn verantwoordelijkheid te laat én te vroeg.

Het gros aan feiten over de genocide in Srebrenica was eind 1995 bekend. Toen was al duidelijk dat de internationale gemeenschap, en Nederland als mandaathouder van die gemeenschap, gefaald had in de bescherming van het 'veilige gebied'. Was dát niet het aangewezen moment geweest om verantwoordelijkheid te nemen, of op zijn minst een parlementair onderzoek te starten om te kijken hoe de verantwoordelijkheden lagen? Het aftreden van het kabinet kwam daarnaar kijkend zes jaar te laat.

Hoewel een kabinet constitutioneel gezien alle recht heeft om zelf te besluiten ontslag aan te vragen, kwam het aftreden van het kabinet ook te vroeg. Kok nam wel zijn verantwoordelijkheid, maar legde geen verantwoording af. De Kamer moest het doen met Koks uitspraak dat het kabinet de hoofdlijnen van het Niod-rapport onderschreef en ook de epiloog grosso modo voor zijn rekening nam.

Gevraagd naar een schriftelijke, inhoudelijke reactie van het kabinet op het rapport gaf Kok aan dat hij eventueel dezelfde woorden wel op papier wilde zetten. Het doet in de vorm, hoewel in dit geval niet studentikoos lollig bedoeld, wat denken aan het briefkaartje met 'groeten uit de Trêveszaal' van Balkenende, waarin legitieme vragen uit het parlement ook niet adequaat werden beantwoord.

Het is deze vaandelvlucht van het kabinet, het nemen van verantwoordelijkheid voordat verantwoording is afgelegd, die aan de basis staat van alweer een parlementaire enquête. Of moest er een bijna rituele afsluiting van Nederlands grootste naoorlogse trauma komen? Het lijkt ondenkbaar dat voor een relatieve trivialiteit als de bouwfraude wél het zwaarste parlementaire instrument wordt gebruikt, terwijl de moord op ruim zevenduizend onder Nederlandse bescherming verkerende moslims zonder enquête wordt afgesloten.

Een zware inhoudelijke reden voor de parlementaire enquête is er niet. De openstaande vragen van de enquêtecommissie hadden immers heel wel beantwoord kunnen worden in een normaal debat met de regering. De feiten zijn allang bekend, het gaat nu nog 'slechts' om de politieke verantwoordelijkheid. En dan niet voor het falen van de internationale gemeenschap, maar voor het door het kabinet gevoerde beleid. Dáárvoor is nog geen verantwoordelijkheid genomen, laat staan verantwoording afgelegd.

mailIcon print |