In 'Alice in Wonderland wordt verhaald over een 'caucus-race'. Het was een vreemde race. Er klonk een startschot en de dieren holden rond in een kring. Op een bepaald moment riep iemand: “de race is afgelopen”. Vervolgens werd gevraagd: “wie heeft gewonnen?”. Even werd er geaarzeld en toen zei men: “iedereen heeft gewonnen”. We kunnen ons de verwondering van Alice voorstellen. Bij een race moet iemand winnen. Wanneer iedereen heeft gewonnen, heeft niemand gewonnen.
Dit verhaal heeft een diepe betekenis. Als iedereen van adel is, is niemand van adel. Als iedereen generaal is, is niemand generaal. Als iedereen de baas is, is niemand de baas.
Ook voor het overheidsapparaat geldt dat iemand de baas is in die zin dat iemand in de organisatie bevoegd wordt geacht een finale beslissing te nemen. In een moderne organisatie is het overigens wel een goed gebruik dat de baas niet 'bazig' optreedt. De baas laat zich voorlichten. De baas geeft ieder de ruimte om inzichten te formuleren. De baas laat zich soms overtuigen, omdat hij zijn aanvankelijke ideeën inwisselt voor betere. Maar ook in dat laatste geval is het de baas zelf die de beslissing neemt dát hij zich heeft laten overtuigen.
Waar het niet duidelijk is wie de baas is, wordt het een gigantische bende. Wanneer onduidelijk is of Pompeius of Caesar de baas is, vormt dat het begin van een slepende oorlog. Wanneer onduidelijk is wie in het driehoeksoverleg in Groningen de baas is, leidt dat tot een falend optreden van de overheid in kritieke situaties. Wanneer onduidelijk is wie de baas is in het kleinste buurthuis om de hoek, dan kun je verwachten dat de boel niet gladjes verloopt op de volgende klaverjasavond. En wanneer onduidelijk is wie de baas is over het openbaar ministerie, dan krijg je de toestanden waarover de commissie-van Traa ons geïnformeerd heeft.
In zijn column stelt Willem Breedveld dit 'één-baasdenken' ter discussie (Trouw, 4 februari 1998). Ik nodig hem en de andere lezers uit tot twee experimenten.
Het ene is het gedachte-experiment dat men probeert om een organisatie of samenleving te vinden waarin niet uiteindelijk één persoon een eindbeslissing geeft in de zin zoals hierboven omlijnd. Cultureel-antropologen hebben alle hoeken van de aarde afgezocht om zo'n samenleving te vinden. Tevergeefs.
Voor het tweede experiment moet u proefkonijnen zoeken in uw eigen kring van bekenden. Stel, iemand beweert: “Er kunnen meerdere bazen zijn.” Dan zou ik aanraden om uit te zoeken waarover de persoon die dat beweert zélf de baas is. De tweede stap van het experiment is dan kijken of die betreffende persoon zijn afwijzing van het één-baas-denken ook op die situatie waarin hij zelf de baas is toepast. Zo ja, dan hebben we daar een echte aanhanger van het meer-baas-denken. Maar ik ken ze niet.
Bij een baas ligt macht. Macht is gevaarlijk. Macht corrumpeert en absolute macht corrumpeert absoluut. Daarom moet macht gecontroleerd worden. In een democratie geldt het beginsel dat de baas weggaat wanneer het volk dat wil. Vanuit het oogpunt van de democratie is het dan ook essentieel dat we zoveel mogelijk macht leggen in handen van diegenen die weggaan wanneer wij, burgers, dat willen. Daarom moet een koning niet veel macht hebben. Want hij blijft. Ook een ambtenaar moet niet veel macht hebben. Want hij blijft. Gelukkig heeft onze kroonprins Willem-Alexander blijkens zijn laatste interview op de televisie geen enkele behoefte dit democratisch principe ter discussie te stellen. Maar minder gerust ben ik over 's konings voormalige klerken: de ambtenaren. De minister van defensie heeft moeite om de generaals in het gareel te krijgen. De minister van landbouw weet zich stevig in de wielen gereden door ambtenaren die in de varkenscrisis niet voor hem kozen, maar voor hun 'vrienden': de varkensboeren. De minister van economische zaken heeft moeite met de opinies van de nieuwe secretaris-generaal, zoals geventileerd in Economisch Statistische Berichten. De voorzitter van het college van procureurs-generaal neemt al sinds zijn aantreden kritisch stelling tegen de plannen van de minister in interviews en lezingen, zodat hem reeds een spreekverbod moest worden opgelegd. De Leeuwarder Courant (31 januari 1998) citeert de politicoloog Van Schendelen: “Ambtenaren worden wel de Vierde Macht genoemd, maar ze zijn eigenlijk de Eerste Macht.”
Ik verlang terug naar defensie-minister Vredeling die wanneer zijn generaals dreigden met ontslag zei: “Jullie hebben het al”. Dat is goed. Want als mijn dienaar, de minister, de macht heeft, dan heb ik, als burger, de macht.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.