*

 
dossier

Archief

Standpunt tropisch hout moet overeind blijven

ERIC WAKKER − 16/02/94, 00:00

De auteur is medewerker van de vereniging Milieudefensie.

In het 'Regeringsstandpunt tropisch regenwoud' (1991) staat onder meer dat Nederland de aanspraak op de 'primaire' bossen voor de houtproduktie zo spoedig mogelijk wil beeindigen. Het gaat hier om ongerepte oerwouden, welke volgens het regeringsstandpunt actief beschermd moeten worden. Ook de Nederlandse houthandel onderschreef in 1991 het regeringsstandpunt. Daarmee is het uitgangspunt geaccepteerd dat duurzaam geproduceerd tropisch hout vanaf 1995, of zo mogelijk eerder, niet meer uit primaire bossen mag komen.

Het is een dapper standpunt, want in het beleidsstuk staat vermeld dat maar liefst 70 procent van het tropisch hout uit primair bos afkomstig is. Uit een recent FAO-rapport blijkt het aandeel nog hoger te zijn: 83 procent van het hout komt uit primair tropisch bos. Als eind 1995 het Convenant tropisch hout in werking treedt, zal er dus veel minder tropisch hout beschikbaar komen.

Een aderlating voor de hardhouthandel? Niet volgens de brancheorganisatie, de Vereniging van Nederlandse houtondernemingen (VVNH). In een brief die de VVNH begin januari aan alle Nederlandse gemeenten richtte, schreef de VVNH dat de hardhouthandel “gemakkelijk op vuren en grenen zou kunnen overschakelen”. Veel minder tropisch hout kan dus wel, maar de handel wil het niet.

Volgens de VVNH zullen de produktielanden ernstig worden benadeeld. De VVNH vergeet echter te vermelden, dat vooral Nederland zich aan de handel in tropisch hout verrijkt. Daarmee werd onze schatkist in 1990 met maar liefst 350 miljoen gulden gespekt (BTW en invoerheffingen op tropisch hout). Dit was ruim honderd keer zoveel als we aan de natuurbescherming van het regenwoud uitgaven en veel meer dan wat de overheden in de produktielanden aan de houtexport overhouden.

Ook het verzet van overheden in het Zuiden tegen het terugdringen van onduurzame houtkap (in primaire bossen) is grotendeels op twijfelachtige gronden gebaseerd. In de meeste produktielanden heeft een kleine groep politici en bedrijven winstgevende houtkaprechten weten te verwerven. Begrijpelijkerwijs verdedigen zij deze bevoorrechte positie. Maar wel ten koste van het regenwoud en de mensen die er wonen.

Hoe moet het verder als Nederland aan zijn uitgangspunten vasthoudt? In het Regeringsstandpunt wordt gesteld dat de nog gave regenwouden beschermd dienen te worden. Voor de huidige tropisch houtconsumptie in ons land wordt jaarlijks 60 000 hectare regenwoud aangesproken. Naar schatting is 83 procent van dit regenwoud primair bos.

Om te voorkomen dat dit woud alsnog voor de Japanse, Koreaanse of Franse bijl gaat, zou het zinnig zijn wanneer Nederland jaarlijks de bescherming van 50 000 hectare bos financiert. Dit is de hoeveelheid primair bos die anders jaarlijks voor de houtvoorziening zou worden aangesproken. Zo zal Nederland tussen 1995 en de eeuwwisseling 250 000 hectare primair regenwoud kunnen sparen.

Nederland kan zo behoorlijk wat primair bos in de tropen overeind laten staan. Moet het allemaal tot natuurreservaat worden gebombardeerd? Neen. Nog altijd heerst de onjuiste opvatting dat bossen alleen hout voortbrengen. Wie zich in de economische waarde van de bos-bijprodukten verdiept, realiseert zich al snel dat het winstgevende alternatieven zijn.

Een voorbeeld is rotan. De wereldwijde handel in rotanprodukten was in 1990 maar liefst 4 miljard dollar waard (ter vergelijking: de waarde van de handel in tropisch hout bedroeg 7 tot 8 miljard dollar). Er zijn nog duizenden andere waardevolle bosprodukten: bamboe, harsen, vruchten en noten, specerijen, honing, wild, vis, olien en vetten, medicinale kruiden (tegen aids en kanker? ), genetisch materiaal enz. Uit onderzoek is gebleken dat de exploitatie van bos-bijprodukten een winstgevend alternatief is voor (onduurzame) houtkap. Mits beheerst, kan exploitatie van deze bosprodukten, zonder het kwetsbare ecosysteem te vernielen, een blijvende bron van inkomsten vormen.

Nederland kan veel meer doen om dit bosgebruik te bevorderen. De houtindustrie moet verplaatst worden van het primaire bos naar de eerder uitgekapte (secundaire) bossen. Dat is hard nodig, want nu laat de houtindustrie het ontbossingskarwei in het secundaire bos door landloze boeren afmaken. De verplaatsing zal de houtindustrie eindelijk dwingen te investeren in de bescherming en het duurzaam beheer van het secundaire bos. Daarmee wordt ook nog werkgelegenheid geschapen, waarmee een deel van de landloze boeren een alternatief inkomen geboden kan worden.

Hoeveel tropisch hout er vanaf 1995 precies uit duurzaam beheerde secundaire bossen beschikbaar zal komen is nog onzeker. Misschien 17 procent van het huidige invoerniveau, waarschijnlijk veel minder. Het hangt helemaal af van de daadkracht waarmee het convenant wordt uitgevoerd. De Nederlandse houtgebruikers (woningbouwverenigingen, projectontwikkelaars, gemeenten) kunnen alvast beginnen. Door drastisch minder tropisch hout te gebruiken.

mailIcon print |