In 1909 deed Gustav Mahler al toelatingsexamen voor het Festival Oude Muziek. Die gedachte kwam op toen ik woensdagavond in het Amsterdams Concertgebouw luisterde naar een suite van vier delen die Mahler koos uit de tweede en derde orkestsuite van Johann Sebastian Bach. Riccardo Chailly had ze als voorprogramma geplaatst in combinatie met Mahlers vierde symfonie. Het zal bij eenmalige uitvoering blijven van dit curiosum, want er bleek geen belangstelling voor bij buitenlandse organisatoren toen het Concertgebouworkest deze Bach-Mahler suite aanbood als programma-mogelijkheid tijdens een tourneetje langs een aantal Europese steden.
De suite ontstond in New York toen Mahler er een serie 'historische concerten' organiseerde. Dat hij Bach bewerkte, was zo raar niet, wanneer we bedenken dat Mozart onvervaard uit bewondering voor Hündel onder meer diens 'Messiah' en 'Alexanders Feast' aanpaste en herinstrumenteerde, of dat Mendelssohn, maar ook tijdgenoten als Robert Franz er niet voor terugdeinsden Bachs 'Mattheus Passie' bij te kleuren.
Het was natuurlijk best gek om zulke bekende stukjes als 'Rondeau' en 'Badinerie' te horen doorspekt met crescendo (aanzwellen van de klank) en decrescendo. Eigenlijk viel het nogal mee met de bewerkingen; alleen de ouverture klonk protserig met het grote orgel er bij. En Chailly presenteerde deze Bach-Mahler eigenlijk veel te netjes om te roepen: ontheiliging!
D'r stond bijvoorbeeld een keurig naar authentieke normen gemaakt klavecimbel, dat bespeeld werd door een van de jonge coryfeeën van het authentieke klavierspel, Menno van Delft. Hem, en ook organist Leo van Doeselaar, komen we tegen in het gisteravond geopende achttiende Festival Oude Muziek. En Chailly's orkest was barok-klein; de strijkers maakten een slanke, vrijwel non vibrato toon. Als Jan Nuchelmans zijn hielen heeft gelicht, zien we Chailly mogelijk eens in het Festival! Neen, dan Mahler: die speelde zelf de klavierpartij op een vleugel die klavecimbelig was aangepast! Hij moest wel, want wie had er toen een klavecimbel?
Moeten we de toekomst vrezen? Neen, zeker niet. De strenge opvatting van vertrekkend programmeur Jan Nuchelmans die ensembles als het Combattimento Consort (gefundeerde 'oude' opvattingen uitgewerkt op modern instrumentarium) buitensloot, is eigenlijk niet te handhaven. Ook binnen de 'authentieke' norm zit kaf en koren, en Nuchelmans is eerlijk genoeg om toe te geven dat hij zich wel eens schromelijk vergiste in een groep die hij naar Utrecht haalde.
In een verruimd programmeringsbeleid zal evenwel de inborst van nieuwe podiumgegadigden met extra kennis en zorg moeten worden getest door de rekkelijker directeur Casper Vogel en zijn komende gastprogrammeurs. Ik zie dan bijvoorbeeld geen plek voor een Chailly met al of niet onversneden Bach. Wel bijvoorbeeld voor Hartmut Haenchen als hij met zijn Carl Philip Emanuel Bach-orkest uit Berlijn zou verschijnen. Of Harnoncourt met Mozart door het Chamber Orchestra of Europe. De vraag is wel: zijn daar niet al genoeg podia voor?
Eigenlijk zou het Festival Oude Muziek het sterfjaar van Bach als grens moeten aanhouden. Tot 1750 en niet verder; juist terug, naar het verdere verleden, naar de aantrekkelijkheid van middeleeuwen en renaissance waar nog veel te ontdekken en te ontwikkelen valt. Naar de liedkunst van troubadours, naar de geestelijke zang van de polyfonisten, naar de instrumentale schoonheid van vedels, gamba's, schalmeien, zinken, en noem maar op. Naar de zeventiende eeuw met zijn gouden klanken. In de voorgaande zeventien festivals bleek het publiek daar vooral op af te komen. Bovendien: voor dat verleden heeft Utrecht dé locaties.
Het Festival zal nooit geopend of gesloten moeten worden met bijvoorbeeld Mahlers vierde symfonie door een zogeheten Orkest van de Negentiende Eeuw. Daar hebben we het Amsterdams Concertgebouw voor. De 'Hohe Messe' van Bach, ja die hoort op een slotavond. Tot daar en niet verder.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.