Er zijn gelovigen die een tulband dragen, of zwarte kousen, of een tamboerijn bespelen. Er zijn er die God aanbidden, of de zon, of zichzelf. Hun levensovertuiging heeft vaak een exotische naam. In deze serie vertellen gelovigen wat hen beweegt. Aflevering 4: de vrijmetselaar.
“Volstrekte flauwekul”, weet Erik Kikkert uit eigen ervaring. Hij is sinds 1966 een van de broeders van de loge 'Opgang' in Hilversum. De vrijmetselarij heeft geen politieke aspiraties, wil de macht niet grijpen, is geen kerk, geen religie, geen dogmatische leer en geen gezelschap van zwartwerkende bouwvakkers. Maar wat dan wel?
“De Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden, zoals de Nederlandse tak van het netwerk van vrijmetselaars-gezelschappen voluit heet, is een mannenvereniging. De leden zijn toegetreden uit een behoefte om gezamenlijk naar antwoorden te zoeken op levensvragen, naar de bedoeling achter het bestaan”, poogt Kikkert samen te vatten. “Wij proberen onszelf te leren kennen en positief mee te werken aan een betere wereld. We hebben de waarheid niet in pacht, maar we zoeken ernaar. Iemand die alle antwoorden al gevonden denkt te hebben, zal zich bij ons niet op zijn gemak voelen.”
Tijdens de wekelijkse bijeenkomsten wisselen de broeders van gedachten over serieuze aangelegenheden. Tijdens de zogenoemde comparities houdt een van hen een lezing (een 'bouwstuk'), waaraan de anderen opinies toevoegen. Er wordt niet gediscussieerd met de bedoeling de ander te overtuigen, er wordt 'gebouwd' tot de geponeerde stellingen meer zijn dan de mening van die ene man die ze uitte. “Je moet als vrijmetselaar zelf denken. Wie op zoek is naar een leermeester wiens ideeën hij kan opzuigen en overnemen, zit fout bij ons. Er wordt ruimte gelaten voor het bestaan van iets hogers, wat wij dan de opperbouwmeester van het heelal noemen. Anderen noemen dat God, of Allah, of hoe dan ook. In die zin is de vrijmetselarij wel een religieuze stroming. Maar wij leggen alle zienswijzen naast elkaar, zonder er een waarde-oordeel aan te verbinden. Leerling zijn en leerling blijven, dat is een belangrijke stelregel.”
De enige 'gereedschappen' die een vrijmetselaar krijgt aangereikt, zijn symbolen en zogenoemde ritualen. De symboliek is afkomstig uit de vroegere bouwgilden, waaruit de vrijmetselarij vermoedelijk is ontstaan. In Engeland kwamen de bouwers van kathedralen samen in hun bouwkeet, de 'lodge', om onderricht te krijgen en om over geestelijke waarden van gedachten te wisselen.
“ Ieder krijgt als levenstaak de ruwe steen van zijn wezen te vormen tot een zuivere kubus. Voor een nieuwkomer zijn al deze begrippen heel abstract. Je geeft je bij de inwijding tot leerling-vrijmetselaar in vertrouwen over en na verloop van tijd zal de symboliek steeds meer gaan leven.”
“Over het inwijdingsrituaal zijn we niet erg mededeelzaam. Dat lijkt geheimzinnigdoenerij, maar dat heeft een praktische reden. Als iemand die eventueel wil toetreden tot de Loge te veel informatie vooraf heeft , doe je die persoon ernstig te kort. Het verrassingselement gaat dan verloren en dat is van essentieel belang. Tijdens de inwijding word je geconfronteerd met bepaalde levensvragen en je realiseert je op zo'n moment: 'Nu ga ik een ander leven in'. Dit zorgt voor een ingrijpende verandering en dat geeft basis aan de broederschap. Voor buitenstaanders is het makkelijk om de gevoelens die dan worden losgemaakt, belachelijk te maken. Bijvoorbeeld door woorden om te draaien, zodat het mallotig gaat klinken. Daarom vertellen we er alleen over aan onze naasten.”
“Mijn eigen inwijding vergeet ik nooit. Ik was 33 en van huis uit niet godsdienstig. Maar ik was ervan overtuigd dat er meer moest zijn. Ik had een oom die ik enorm bewonderde, omdat hij iets bijzonders uitstraalde. Wat precies wist ik niet, want ik was nog maar een knuppeltje van zeven. Hij was vooral zo vriendelijk, zo oprecht geïnteresseerd in andere mensen. Later begreep ik dat hij vrijmetselaar was. Ik ben er over gaan lezen, heb eens een gesprekje gehad. En toen dacht ik bij mezelf: Ik moest 't maar doen. Ik vertrouw die kerels wel.”
“In het begin is alles nog wat vreemd: de symbolen, het ouderwets klinkende taalgebruik. We noemen elkaar bijvoorbeeld 'broeder'. Dat went ontzettend gauw. Het helpt ook om dichter tot elkaar te komen. 'Meneer' is heel afstandelijk en 'Piet' is meteen weer een sociëteit. 'Broeder' geeft aan dat je allemaal op dezelfde hoogte zit, met hetzelfde doel voor ogen. Na een jaar volgt een tweede rituaal, bij de bevordering tot gezel. Nog een jaar later word je meester. De beleving van deze ritualen is zeer persoonlijk, maar net zo indrukwekkend als je inwijding. Je wordt geconfronteerd met wezenlijke dingen, zoals de problematiek van leven en dood.”
“Ik heb er nooit spijt van gehad dat ik ben toegetreden. De vrijmetselarij heeft de geestelijke structuur van ons gezin mede bepaald. Begrippen als tolerantie, hoffelijkheid en cultuur nemen een centrale plaats in. Dat zijn niet alleen sleutelwoorden binnen de vrijmetselarij, maar ze zijn verweven met het dagelijks leven. Men stelt zich misschien voor dat je vrijmetselaar bent door achter een bureau te kruipen met een moeilijk boek, maar het bouwen, het metselen, gaat altijd door, bij elke problematiek en in elk conflict. Bijvoorbeeld door eerst te zoeken naar overeenkomsten en dan pas naar verschillen.”
“Nu ben ik gepensioneerd, maar bij de uitoefening van mijn beroep heeft dit ook een grote rol gespeeld. Ik heb altijd als arts in de psychiatrie gezeten. Als je dan te maken krijgt met iemand die denkt dat hij Napoleon is, kun je wel zeggen: 'dat ben je niet', maar dan is het gesprek uit. Je kunt ook proberen om je in te leven: stel, hij is Napoleon wel. Dan zijn er openingen voor een gesprek en kun je van daaruit verder.”
“Niet voor iedereen is het een aanbeveling om vrijmetselaar te zijn. Het wantrouwen ten aanzien van de vrijmetselarij is hardnekkig. Vroeger had het een bepaalde status en vond men het spannend om geheimzinnig te doen, maar tegenwoordig zijn we zo open mogelijk. Er gaan ook stemmen op om de Loge open te stellen voor vrouwen. Maar als je vraagt: wil je dat werkelijk, is het antwoord nee. De sfeer van vertrouwen is anders, als er vrouwen bij zijn. Mannen gaan dan toch het haantje uithangen. Maar je moet je juist ook durven laten kennen in je zwakheid. Als je in zak en as zit, is dat geen glorieus moment, maar bij mannen onder elkaar kan dat. Trouwens, er bestaan vrouwelijke vrijmetselaarsloges: de Orde der Weefsters. En er zijn gemengde loges. Dus het kan wel, maar ik heb voor een mannenloge gekozen.”
“Mijn vrouw heeft de vrijmetselarij overigens helemaal ingedronken. Soms denk ik wel eens dat zij er meer mee bezig is dan ik. We hebben er altijd heel veel over gepraat. Dat is een voorwaarde, denk ik, dat je vrouw er achter staat. Van onze drie kinderen is nog niemand toegetreden, maar ik hoop dat mijn tweede zoon ooit de stap zal nemen. Hij zal er geen spijt van krijgen. Want de vrijmetselarij lijkt voor buitenstaanders altijd heel ernstig en gedragen, maar je kunt er ook ontzaglijk veel pret hebben.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.