De auteur is theologe en werkzaam als geestelijk verzorger in de Capelse Verpleeghuizen.
Als geestelijk verzorger in een verpleeghuis ontmoet ik oudere, zieke mensen. Er wonen in dit tehuis zowel somatisch als psycho-geriatrisch zieke mensen. Op beide afdelingen word ik geconfronteerd met mensen die lijden. Omdat ze pijn hebben of omdat zij door een hersenbloeding niet meer kunnen vertellen wat er in hen omgaat. Op de psycho-geriatrische afdelingen maak ik mensen mee, die volkomen ontheemd zijn. Op zoek naar hun moeder, verdrietig om hun geheugenverlies.
Voor mij blijft de vraag actueel: welk lijden is ondraaglijk? En voor wie?
Juist bij het dementioneel syndroom ligt een bepaalde mensvisie (en maatschappijvisie) ten grondslag aan de wijze waarop men tegen deze ziekte aankijkt. Wanneer men als kern van de mens ziet dat hij een autonoom en denkend wezen is, dan kan ik mij de opvattingen over zelfbeschikking en euthanasie bij dementerenden voorstellen zoals die van minister Borst. Een dementerende zal immers tijdens zijn of haar ziekteproces de autonomie volkomen verliezen, evenals zijn of haar denkvermogen, en lijkt volgens deze visie geen volwaardig mens meer te zijn.
In dit mensbeeld wordt de mens gescheiden in een lichaam en een geest, waarbij de geest superieur is aan het lichaam. Daarom verbaast het mij niet dat zelfs mevrouw Borst, die ik bijzonder respecteer om haar vakbekwaamheid als minister, zo'n persoonlijke mening erop nahoudt. Jammer vind ik wel, dat deze persoonlijke opvatting als een brede norm wordt opgevat, gezien onder meer de positieve reacties van Hans van Dam (Podium, 16 september) en Erwin Kompanje (4 oktober).
De reactie van Bert Keizer (Podium, 12 september en Letter en Geest, 30 september) op de uitspraak van minister Borst is ook begrijpelijk. Wanneer ik aan mensen, ongeacht hun achtergrond, vertel dat ik in een verpleeghuis werk waar jonge comapatiĆ«nten liggen, dan krijg ik vaak reacties als: “Wat zwaar lijkt me dat voor je”, en “wat erg voor die mensen”. Men is vooral geïnteresseerd in wat comapatiĆ«nten eventueel nog wel kunnen en hoe het zo is gekomen.
Borrelpraat
Wanneer ik vertel dat er in ons huis 180 dementerende mensen wonen krijg ik vaak de reactie: “Als mij zoiets zal overkomen, dan mogen ze er een einde aan maken” en “wat kan jij daar nog doen, er is toch geen gesprek meer mogelijk!” De reacties met name op dementie zijn bijna stereotiep, en als Keizer daar het etikel 'borrelpraat' opplakt vanwege de onuitvoerbaarheid van dit medisch handelen (wanneer moet het gebeuren en hoe?) dan kan ik zijn mening delen.
Alleen kan ik niet goed uit de voeten met zijn idee dat iemand een ander mens geworden is door de ziekte dementie, met alle ethische consequenties vandien. Voor mij gaat het in de levensloop altijd om dezelfde mens, ongeacht zijn geestelijk verval.
Over het algemeen heeft de mens redelijk aanvaard dat iedereen in de loop van zijn leven lichamelijk aftakelt. Een kind groeit op tot een volwassen mens met een maximale en optimale ontwikkeling, om daarna langzaam (en vaak onopvallend) lichamelijk af te breken: cellen sterven, zonder aanmaak van nieuwe, onze spierkracht neemt af. Onze hersenen zijn een onderdeel van ons lichaam en ondergaan dezelfde afbraakmechanismen. Soms wordt dit proces door een ziekte versneld.
Waarom zijn de reacties op dit afbraakmechanisme van de hersenen dan vaak zo emotioneel geladen? Waarom heeft de mens alleen waardigheid als met name zijn verstand nog goed functioneert? Of waarom is iemand met twee geamputeerde benen en met afasie nog wel dezelfde mens maar een dementerende niet?
Familie
Voor mij is lijden ook die situatie waarbij de dementerende mens vooral verstoken is van familieleden, omdat die de situatie niet meer aankunnen en nooit meer op bezoek komen, omdat hun moeder of vader of partner hen niet meer herkent.
Ik kan best begrijpen dat iedereen met een helder verstand zijn directe omgeving wil sparen als het gaat om zijn eigen geestelijk verval. Alleen als blijkt dat iemands directe omgeving bij voorbaat al aangeeft die mens als dementerende niet te kunnen accepteren, dan kan ik mij voorstellen dat men zo redeneert als minister Borst. Wanneer we echter mogen vertrouwen op steun in goede en kwade dagen van de mensen om ons heen, dan kunnen we ondanks ons verstandelijk afbraakproces toch ervaren wat liefde en geborgenheid is. Ook al zijn we vergeten van wie en wat en waar.
Dementie is een ziekte, een afschuwelijke soms, maar een ziekte waarbij we dezelfde ethische maatstaven moeten laten gelden als bij elke chronische ziekte.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.