*

 
dossier

Archief

Beleggingsfondsen niet doorzichtig genoeg

PETER VAN LAKERVELD − 05/01/96, 00:00

“In beleggingsfondsen kan je je spaarcenten dus ook niet meer stoppen”, zal menigeen gedacht hebben. Op de eerste werkdag van het nieuwe jaar liet het oerdegelijke CBS weten dat de rendementen op beleggingsfondsen in 1995 net als in de twee voorafgaande jaren, achter zijn gebleven bij de koersindexen van de beurs. Voor de beheerders van die fondsen was deze mededeling niet leuk. Want in hun reclame proberen ze juist allemaal de beleggers er van te overtuigen dat die het spaargeld het allerbeste aan hun fonds kunnen toevertrouwen.

Toegegeven: de stelling dat de prestaties van beleggingsfondsen de koersindexen niet kunnen bijhouden is wel erg ongenuanceerd. Je kunt geen appels en peren bij elkaar optellen. Neem de CBS/Money/View-index. Die verwerkt het rendement (waardestijging plus dividend of rente) van alle typen fondsen. Fondsen dus, die beleggen in Nederlandse aandelen, in buitenlandse, in obligaties en onroerend goed. Er kwam in 1995 een rendement uit de bus van 8,4 procent. Maar Nederlandse aandelen haalden vorig jaar gemiddeld 19,8 procent. De twee percentages zijn echter niet te vergelijken, omdat die 8,4 procent op veel meer betrekking heeft dan alleen aandelen van Nederlandse bedrijven.

Toch, zelfs fondsen die zich uitsluitend op Nederlandse aandelen richten, bleven onder die 19,8 procent, ze kwamen niet verder dan 15,3 procent. Ook daarvoor bestaat een excuus. Beleggingsfondsen zullen over het algemeen geen rare fratsen uithalen; het is geld van mensen die geld aan het fonds hebben toevertrouwd. Fondsen vermijden al te grote risico's. Er is wat voor te zeggen om het ongunstige verschil van het rendement ten opzichte van de index-stijging te beschouwen als een premie voor zekerheid en risicospreiding.

Al deze nuanceringen en verontschuldigingen nemen een gevoel van onbehagen evenwel niet weg. Consumenten vragen zich af waarom de fondsen eigenlijk dure beleggingsanalisten in dienst hebben. Kan de belegger niet net zo goed - of beter - zelf aan de slag? “Dat doet hij al” vertelde de opgetogen beursvoorzitter Van Ittersum deze week in zijn nieuwjaarsrede. De particuliere belegger plaatst weer veel meer dan een paar jaar geleden zelf orders via bank of commissionair. De vreugde van Van Ittersum is te begrijpen; zonder vraag van de kleine belegger is een aandeel kwetsbaarder als belangstelling uit het buitenland wegvalt. En bovendien is beurshandel zonder inbreng van particulieren de dood in de pot.

Zelf handelen is spannend, leerzaam en soms lucratief. Maar niet iedereen kan het. Je moet de bedrijven waarin je belegt op de voet volgen. Veel particulieren hebben een informatie-achterstand ten opzichte van grote spelers als beleggingsmaatschappijen en pensioenfondsen. En wie koopt of verkoopt, moet maar afwachten of zijn opdracht even snel wordt uitgevoerd als die van institutionele beleggers. Van de beurskrach in 1987 werden vooral particulieren het slachtoffer. Nog afgezien daarvan: een professioneel fonds kan zijn beleggingsportefeuille sneller veranderen dan een particulier.

Voor een vrij grote categorie particulieren blijven beleggingsfondsen daarom een logisch alternatief. Voorwaarde is dan wel dat die fondsen geloofwaardig blijven. Dat ze gedetailleerder informatie geven over hun inkoop- en verkoopbeleid en zich niet beperken tot bijvoorbeeld de mededeling dat 28 procent van het vermogen in de Verenigde Staten is belegd. Deze grotere openheid geeft geen garantie voor een beter beleggingsresultaat. Maar de deelnemers in het fonds weten wel waar ze aan toe zijn. De beleggers hebben recht op inzicht. Het is hun geld.

mailIcon print |