...Gekleed in een van haar oude nachthemden, lag mijn Lolita op haar zij met haar rug naar mij toe, in het midden van het bed. Haar licht versluierde lichaam en blote ledematen vormden een Z. Ze had beide kussens onder haar donkere verwarde haardos gelegd; een bleke lichtstreep kruiste haar bovenste wervels.
Blijkbaar had ik me uitgekleed en een pyjama aangeschoten met het soort zonderlinge onmiddellijkheid dat besloten ligt in een filmscène waar het verkleedproces is uitgesneden; en ik had mijn knie al op de rand van het bed geplaatst toen Lolita haar hoofd omdraaide en me door de gestreepte schaduwen met grote ogen aankeek.
Dit nu was iets wat de indringer niet had verwacht. Dat hele pilverhaal (een nogal kwalijke zaak, entre nous soit dit) had een vastheid van slaap ten doel gehad die nog door geen heel regiment zou zijn vestoord, en nu lag ze me aan te kijken, en noemde me binnensmonds “Barbara”. Barbara, in mijn pyjama die haar veel te krap was, bleef roerloos balanceren boven het mommelende dommelaarstertje. Zachtjes, met een wanhopige zucht, wendde Dolly zich af en nam haar beginhouding weer aan. Minstens twee minuten wachtte ik gespannen eer ik de grote stap deed, net als die kleermaker veertig jaar geleden vlak voor hij met zijn zelfgemaakte parachute van de Eiffeltoren af zou springen. Haar flauwe ademhaling had het ritme van slaap. Ten slotte hees ik me op mijn smalle strook bed, trok tersluiks aan de verdwaalde hoopjes laken ten zuiden van mijn steenkoude hielen - en Lolita hief haar hoofd op en gaapte me aan.
Zoals ik later hoorde van een behulpzaam apotheker, behoorde de paarse pil niet eens tot de grote en edele familie van de barbituraten, en ook al had ze mogelijk slaap verwekt bij een neuroticus die haar voor een krachtig medicijn hield, ze was een te mild slaapmiddel om een langdurige uitwerking te hebben op een waakzame, zij het slaperige, nimfijn. Of de arts uit Ramsdale nu een kwakzalver of een doortrapte oude schurk was, is, en was, eigenlijk niet van belang. Van belang was dat ik was bedrogen. Toen Lolita weer haar ogen opendeed, besefte ik dat of het middel nu later op de avond alsnog zou werken of niet, de veiligheid waarop ik had vertrouwd maar schijn was. Langzaam wendde haar hoofd zich af en zakte op haar oneerlijke hoeveelheid kussen. Ik lag heel stil op mijn rand, staarde naar haar verfomfaaide haar, naar de zacht glanzende nimfijnenhuid, daar waar vaag een halve dij en een halve schouder te zien waren, en probeerde naar het tempo van haar ademhaling de diepte van haar slaap te peilen. Er verstreek enige tijd, er veranderde niets, en ik besloot dat ik me iets dichter kon wagen bij die lieflijke glans waar ik gek van werd; maar amper had ik me in de warme nabijheid ervan bewogen of haar ademhaling stokte, en ik had het afschuwelijke gevoel dat de kleine Dolores klaarwakker was en in gegil zou uitbarsten als ik haar met enig deel van mijn armzaligheid beroerde.
Alstublief, lezer: hoezeer u zich ook ergert aan de teerhartige, ziekelijk gevoelige, oneindig omzichtige held van mijn boek, sla deze wezenlijke bladzijden niet over! Stelt u zich mij voor; ik zal niet bestaan als u zich mij niet voorstelt; probeer de hinde in mij te bespeuren, bevend in het bos van mijn eigen zondigheid; laten we zelfs wat glimlachen. Tenslotte kan een glimlach geen kwaad. Ik had bij voorbeeld (ik schreef bijna 'bevobbeld') geen plaats om mijn hoofd te laten steunen, en mijn ongerief werd nog verergerd door een aanval van maagzuur (ze noemen die aardappels 'frites', grand Dieu!).
Ze was weer vast in slaap, mijn nimfijn, maar nog altijd durfde ik me niet op mijn betoverde reis te begeven. La Petite Dormeuse ou l'Amant Ridicule. Morgen zou ik haar volproppen met die eerdere pillen die zo grondig haar mammie hadden verdoofd. In het handschoenenkastje - of in het tweedelige valies? Moest ik een vol uur wachten en dan weer naderbij kruipen? De wetenschap der nymfolepsie is een nauwkeurige wetenschap. Feitelijk contact en het zou in één seconde rond gebeurd zijn. Een tussenruimte van een millimeter en het zouden er tien worden. Laten we wachten.
Er is niets luidruchtiger dan een Amerikaans hotel; en bedenk dat dit nog doorging voor iets rustigs, gezelligs, ouderwets, knus - 'verfijnde levensstijl' en al die onzin. Het gerammel van de liftdeur - een meter of twintig ten noordoosten van mijn hoofd maar even duidelijk waargenomen alsof het in mijn linker slaap klonk - werd afgewisseld door het gedaver en gedreun van de verscheidene wentelingen van het drijfwerk en duurde tot ver na middernacht. Nu en dan, direct ten oosten van mijn linker oor (steeds vooropgesteld dat ik op mijn rug lag, en mijn vuiger kant niet durfde toekeren naar de wazige dij van mijn bedgenote), was de gang vol opgewekte, weergalmende en misplaatste uitroepen die eindigden in een salvo van wel-te-rustens. Toen dát ophield, nam een wc direct ten noorden van mijn kleine hersenen het over. Het was een mannelijke, energieke, diepkelige wc, die veelvuldig werd gebruikt. De wand achter me schudde van het geklater en geguts en de lange stroom daarna. Daarna gaf er in een zuidelijke richting iemand buitensporig over, hoestte met zijn drank bijna zijn leven uit, en zijn wc daalde neer als een ware Niagara, direct achter onze badkamer. En toen eindelijk al de watervallen waren opgehouden, ontaardde de straat onder het raam van mijn slapeloosheid, ten westen van mijn wake - een bezadigde, statige laan met merendeels woonhuizen en enorme bomen - tot het verachtelijke trefpunt van reusachtige vrachtwagens die door de natte en winderige nacht raasden.
En op minder dan vijftien centimeter van mij en mijn brandende leven, was de wazige Lolita! Na een lange roerloze wacht bewogen mijn tentakels zich weer naar haar toe, en ditmaal werd ze niet wakker van het gekraak van de matras. Ik wist mijn gulzige lijf zo dicht bij haar te brengen dat ik de aura van haar blote schouder als een warme adem op mijn wang voelde. En toen ging ze rechtop zitten, hapte naar lucht, mompelde in razende vaart iets over boten, rukte aan de lakens en verviel weer in haar rijke, donkere, jonge bewusteloosheid.
Toen ze woelde in die overvloed van slaap, daarstraks kastanjebruin, nu maanachtig, sloeg haar arm me in het gezicht. Even hield ik haar vast. Ze bevrijdde zich uit mijn schim van een omarming - niet bewust, niet heftig, niet met enige persoonlijke afkeer, maar met het neutrale klaaglijke gemompel van een kind dat zijn natuurlijke rust verlangt. En weer bleef de situatie hetzelfde: Lolita met haar gebogen ruggegraat naar Humbert, Humbert die met zijn hoofd op zijn hand steunde en brandde van begeerte en slechte spijsvertering.
Die laatste noopte tot een tochtje naar de badkamer voor een slok water, dat het beste medicijn is dat ik ken in mijn geval, behalve misschien melk met radijs; en toen ik weer de vreemde bleekgestreepte schuilhoek betrad waar Lolita's oude en nieuwe kleren in allerlei betoverende houdingen rusten op meubelstukken die vagelijk leken te drijven, ging mijn onmogelijke dochter rechtop zitten en verlangde op heldere toon ook iets te drinken. Ze nam de veerkrachtige en koude papieren beker in haar schimmige hand en sloeg de inhoud dankbaar achterover, met haar lange wimpers op de beker gericht, en toen, met een kinderlijk gebaar dat meer bekoring had dan welke lichamelijke liefkozing ook, veegde de kleine Lolita aan mijn schouder haar lippen af. Ze viel terug op haar kussen (ik had het mijne weggetrokken terwijl ze dronk) en sliep onmiddellijk weer.
Ik had haar geen tweede portie van het middel durven geven, en had de hoop niet laten varen dat de eerste haar slaap alsnog zou bestendigen. Gaandeweg bewoog ik me naar haar toe, voorbereid op elke teleurstelling, in het besef dat ik beter kon wachten maar niet in staat om te wachten. Mijn kussen rook naar haar haar. Ik bewoog me naar mijn zinderende lieveling, waarbij ik telkens stilhield of terugweek als ik dacht dat ze zich verroerde of zich dadelijk zou gaan verroeren. Een wind uit wonderland werkte in op mijn gedachten, en die leken nu verwoord in cursief, alsof het oppervlak dat ze weerspiegelde werd gerimpeld door de geest van die wind. Telkens plooide mijn bewustzijn zich verkeerd, ging mijn schuivende lichaam het domein van de slaap binnen, schoof er weer uit, en een paar keer betrapte ik me erop dat ik wegzakte in droefgeestig gesnurk. Nevels van tederheid omgaven bergen van verlangen. Nu en dan kwam het me voor dat de betoverende prooi zo dadelijk de betoverde jager halverwege tegemoet zou komen, dat haar dij zich onder het zachte zand van een ver en fabelachtig strand een weg naar me toe zocht; en dan verroerde zich haar golvende vaagheid, en wist ik dat ze verder van me weg was dan ooit.
Als ik uitvoerig stilsta bij het bevende getast van die lang vervlogen nacht, is dat omdat ik per se wil bewijzen dat ik geen meedogenloze schurk ben, en nooit ben geweest, en nooit had kunnen zijn. De vredige en dromerige terreinen waar ik door sloop waren het erfgoed van dichters - níet het jachtterrein van de misdaad. Had ik mijn doel bereikt, dan zou mijn vervoering een en al zachtheid zijn geweest, een geval van inwendige verbranding waarvan zij nauwelijks de hitte had gevoeld, ook als ze klaarwakker was geweest. Maar ik hoopte nog altijd dat ze gaandeweg zou ondergaan in een volledige verdoving die me zou toestaan meer van haar te proeven dan een zindering. En zo, tussen aarzelende benaderingen, waarbij ze in mijn verwarde waarneming de gedaante aannam van vlekken maanlicht of een donzig bloeiende struik, droomde ik dat ik weer bij bewustzijn kwam, droomde dat ik op de loer lag.
In de eerste ochtenduren was er even een luwte in de rusteloze hotelnacht. Rond vieren klonken toen de waterval en slaande deur van de gang-wc. Even na vijven kreeg ik van een binnenplaats of parkeerterrein, in een aantal afleveringen, gaandeweg een galmende monoloog te horen. Het was geen echte monoloog, want om de paar seconden zweeg de spreker om (vermoedelijk) naar iemand anders te luisteren, maar die andere stem drong niet tot me door, en dus kon er aan het gehoorde deel geen echte betekenis worden ontleend. Wel hielpen de nuchtere stembuigingen de binnenkomst van de dageraad, en was de kamer al overgoten met lila-grauw toen enkele nijvere wc's, de een na de ander, aan het werk gingen, en de rammelende en gierende lift op en neer begon te gaan met mensen die vroeg op - en neer - moesten, en ellendig dutte ik een paar minuten in, en Charlotte was een meermin in een groenig reservoir, en ergens in de gang zei Dr. Boyd met zalvende stem “Een goedemorgen samen”, en vogels waren bedrijvig in de bomen, en toen geeuwde Lolita.
Ik had gedacht dat er maanden, wellicht jaren, zouden verstrijken voor ik me durfde blootgeven aan Dolores Haze; maar om zes uur was ze klaarwakker, en om kwart over zes waren we in technische zin geliefden. Ik ga u iets heel vreemds vertellen: zij verleidde mij.
Zodra ik haar eerste ochtendgeeuw hoorde, wekte ik met knap profiel de indruk dat ik sliep. Ik wist gewoon niet wat ik moest doen. Zou ze schrikken dat ze me naast zich vond, en niet in een apart bed? Zou ze eisen dat ze ogenblikkelijk werd weggebracht naar Ramsdale - naar haar moeders ziekbed - terug naar het kamp? Maar mijn Lo was een vurige meid. Ik voelde haar ogen op me gericht, en toen ze ten slotte dat beminde gegnuif van haar liet horen, wist ik dat haar ogen hadden gelachen. Ze rolde naar me toe, en haar warme bruine haar kwam tegen mijn sleutelbeen. Ik gaf een middelmatige imitatie van wakker worden ten beste. We lagen stil. Ik streelde zacht haar haar, en we kusten zacht. Haar kus had, tot mijn extatische verlegenheid, een aantal nogal komische trillende en tastende verfijningen waaruit ik opmaakte dat ze op vroege leeftijd was onderwezen door een kleine lesbienne. Dát kon ze van geen Charlietje hebben geleerd. Alsof ze wilde zien of ik al mijn bekomst had en mijn les had geleerd, week ze terug en nam me op. Haar jukbeenderen bloosden, haar volle onderlip glinsterde, mijn vervloeiing was nabij. Opeens, met een uitbarsting van ruwe vrolijkheid (het teken van de nimfijn!) drukte ze haar mond tegen mijn oor - maar geruime tijd kon mijn geest de warme donder van haar fluistering niet in woorden scheiden, en ze lachte, en veegde het haar uit haar gezicht, en deed een nieuwe poging, en gaandeweg, naarmate ik besefte wat ze voorstelde, bekroop me het merkwaardige gevoel te leven in een gloednieuwe, krankzinnige nieuwe droomwereld, waar alles toelaatbaar was. Ik antwoordde dat ik niet wist welk spelletje zij en Charlie hadden gedaan. “Bedoel je dat jij nooit -?” - haar gezicht vertrok tot een strakke blik van walgend ongeloof. “Dat je nooit -” begon ze weer. Ik won tijd door me een beetje tegen haar aan te drukken. “Laat dat, ja”, zei ze op een jengelende dreintoon, en trok haastig haar bruine schouder weg van mijn lippen. (Het was heel opmerkelijk hoe ze alle liefkozingen behalve kussen op de mond of de pure liefdesdaad beschouwde - en dat nog lang bleef doen - als 'romantisch gelebber' of 'abnormaal').
“Bedoel je,” hield ze aan, nu op haar knieën over me heen, “dat jij het als kind nooit hebt gedaan?”
“Nooit,” antwoorde ik geheel naar waarheid.
“Goed,” zei Lolita, “daar gaan we dan.”
Ik zal mijn onderlegde lezers echter niet vervelen met een omstandig relaas van Lolita's vrijmoeidigheid. Laat het volstaan als ik zeg dat ik geen spoor van kuisheid bespeurde bij dat mooie nauwelijks gevormde meisje dat volstrekt en hopeloos was bedorven door moderne coëducatie, jeugdzeden, kampvuurpraktijken enzovoorts. Ze zag de pure daad louter als onderdeel van de heimelijke wereld van een jongere, onbekend aan volwassenen. Wat volwassenen deden met het oog op de voortplanting ging haar niet aan. Mijn levensbron werd door de kleine Lo behandeld op een krachtige, nuchtere manier alsof het een gevoelloos ding was dat niets met mij te maken had. Terwijl ze heel graag indruk op me wilde maken met de wereld van stoere kinderen, was ze niet helemaal bedacht op zekere verschillen tussen de levensbron van een kind en die van mij. Alleen trots belette haar het op te geven; want in mijn zonderlinge toestand hield ik me deerlijk van de domme en liet haar begaan - zolang ik het tenminste nog kon verdragen. Maar eigenlijk doet dit alles niet ter zake; ik houd me volstrekt niet bezig met zogeheten 'seks'. Iedereen kan zich die elementen van dierlijkheid voorstellen. Mij lokt een hoger streven: voor eens en altijd de gevaarlijke magie van nimfijnen vast te stellen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.