Ja, waarom hij priester werd en niet, zoals iedereen - hijzelf eigenlijk ook - dacht, ingenieur? “Ik dacht: het is toch het voornaamste en grootste in het leven zich te wijden aan het werk Gods. Bezig zijn met goddelijke bestemming van de mens. Het moet zoiets geweest zijn.”
Prof. dr. Antoine Vergote (1921) dacht toen ook: “Misschien benoemen ze me tot kapelaan of leraar. Als men die keuze maakt, moet men bereid zijn tot wat men u vraagt. Ik was dat echt. Anders zou ik iets anders gedaan hebben.” Maar het liep anders: het voorstel van de directie van het seminarie was om filosofie te gaan studeren in Leuven. En vervolgens theologie. Nadien kwam er het verzoek godsdienstpsychologie te studeren en te doceren.
Hij promoveerde in de filosofie en in de theologie. Van 1958 tot 1986 was hij hoogleraar godsdienstpsychologie, godsdienstfilosofie en wijsgerige antropologie in Leuven. De godsdienstpsychologie is de wetenschap die onderzoekt welke psychische processen werkzaam zijn in geloof en ongeloof. Hem interesseerde de band tussen het geloof en de menselijke realiteit. “Hoe God aansluit bij de mens en de mens kan aansluiten bij God.” Onder andere met het oog daarop studeerde hij enkele jaren psychoanalyse in Parijs. Het milieu van de psychoanalyse was voor een groot deel atheïstisch (“zij het zonder misprijzen”). Als je voortdurend uitgedaagd wordt, ga je jezelf afvragen: waarom geloof ik? “Het ongeloof daagt het geloof meer uit dan andersom. Het ongeloof appelleert aan iets dat ook in je zit. God is de andere. En het nieuwe is altijd fragieler.”
Toch is hij zelf nooit in de verleiding gekomen om zich aan te sluiten bij het heersende klimaat in Parijs. “Ach nee, je moet ermee omgaan. In meditatie, bidden. Ongelovig worden is vaak een affectieve reactie. Twijfelen over de waarheid is iets anders.” Daarbij komt: hij heeft zich altijd vrij gevoeld in het geloof. “Niemand vond het erg dat ik Freud bestudeerde. Ik heb ook altijd zeer verstandige, menselijke, gecultiveerde gelovige mensen om me heen gehad. Er zijn overal dwazen. Een pastoor schreef eens naar mijn bisschop dat ik niet meer te vertrouwen was, omdat ik niet meer geloofde in de godsbewijzen van de Heilige Thomas. Maar dat heeft niet veel betekenis voor mij. Ook in het psychoanalytisch milieu vindt men bekrompenheid.”
Hoe kan een mens aansluiten bij God? De godsdienstpsychologie leerde hem dat er niet een natuurlijk godsverlangen in de mens is. “Het menselijk verlangen is niet op God gericht. Er is wel een openheid-tot. Ik kan dat vergelijken: het verlangen van de mens naar liefde is niet gericht op het beminnen, maar op bemind worden. Actief beminnen is een leerschool. Dat is niet spontaan in de mens. Het Godsverlangen evenmin.” En de filosofie overtuigde hem ervan dat ook het menselijk denken alleen niet tot God leidt. Dat gebeurt door de zelfopenbaring van God. Door het woord en het teken dat God zelf brengt. “De zelfopenbaring van God is het centrale mysterie van het christendom. God openbaart zichzelf in de bijbel en in de menselijke geschiedenis.”
Let wel: niet in de verhalen van de bijbel. Vergote houdt niet van het woord 'verhalen': “postmodernistische gebabbel”. Een typisch modewoord, dat niet veel om het lijf heeft. “Het verhaal over een gebeuren mag niet het gebeuren zelf tot een verhaal herleiden. Het zijn getuigenissen. U kunt de waarachtigheid van die getuigenis betwisten. Maar niet zeggen: het is een verhaal. Een roman is een verhaal: fictie.”
Hoe verklaart hij dat het postmodernistisch gebabbel zoveel voet aan de grond heeft gekregen? “Maar mevrouw, dat gaat ook niet lang duren. Dat is mode. Mensen zijn modezuchtig. Ze worden daarin opgejokt door de pers en hebben de indruk deel te hebben aan de nieuwe cultuur. Mensen zijn niet waarheidszoekend. Zoals ze vroeger door pastoors en dominees gemakkelijk overtuigd zijn, worden ze nu overtuigd door modewoorden.”
Geen verhaal dus, maar getuigenis. En door verstand noch verlangen. Maar hoe komt een mens er dan toe zich gewonnen te geven aan het getuigenis? “Dat heb ik al bij Augustinus teruggevonden. Hij zocht, maar hij wist niet wat hij zocht. Geluk, schoonheid? 'Te laat heb ik u liefgehad: schoonheid, zo oud en zo nieuw.' Zo gaat het bij bekering. Er is iets, een openheid, een zoeken en een ongenoegen. En dan - soms - een draai naar iets absoluuts.” De joodse vrouw van de filosoof Husserl zat tijdens de oorlog ondergedoken in een klooster in Leuven. De militaire gouverneur wist ervan: “Geef er geen ruchtbaarheid aan.” Vergote bezocht haar om de twee weken. “Zij heeft in de bibliotheek van het klooster de boeken van kardinaal Newman ontdekt en heeft zich bekeerd. Dat was voor haar wat ze gezocht had, zonder het te weten. Zo gaat dat. De openheid is er wel in de mens, maar niet de uitdrukkelijke gerichtheid. Dat is toch ook zo in de liefde? Dat je opeens weet: die is het!?”
Maar na dat moment moet een mens nog een hele weg afleggen om tot een nadere relatie tot God te komen. “Dat heeft te maken met het fundamenteel anderszijn van mens en God. De afstand. In de extase - met of zonder drugs - zoekt de mens die afstand te overbruggen. Riep Johannes van het Kruis al niet uit: toon U dan uiteindelijk eens waarachtig!? Dat gaat in tegen simplistische ideeën zoals: de gelovige zoekt zekerheid. Juist de gelovige moet aanvaarden dat hij leeft in onzekerheid, omdat hij niet de lijfelijke ervaring heeft dat God zijn verlangens zomaar beantwoordt.
De mystiek kent dat bij uitstek: de nacht van de verbeelding en - zoals Johannes van het Kruis benadrukte - de nacht van de geest, waarin men het gevoel heeft: nu begrijp ik er niets meer van! Dat kan lang duren. Veel gelovigen moeten die nacht op een zeker moment in hun leven doorstaan. De psychoanalyse heeft me onder meer geleerd dat dat tijd nodig heeft. Een intellectuele vrouw die zeer religieus was, verloor haar man na een mooi huwelijk. Haar mogelijkheid tot geloofsbeleving stortte praktisch totaal in: een depressie die, samen met de rouw, de religieuze beleving uitholde. Onlangs las ik de mis in Gent en na afloop sprak ze me aan: het heeft zes maanden geduurd, maar het is helemaal voorbij. Die vrouw was begeleid door iemand die naar haar kon luisteren. En haar vandaar uit kon helpen om geduld te leren hebben en geleidelijk aan zichzelf een vraag te stellen. De religieuze begeleiding die dat mogelijk maakt, veronderstelt zowel psychologisch realisme als theologisch inzicht. Dat ontbreekt wel vaak.''
Vanuit zowel zijn kennis van de culturele antropologie als vanuit zijn theologische studie is Vergote ervan overtuigd dat het verkeerd is zonde en verlossing als centraal gegeven te presenteren. “Er moet een persoonlijke verhouding zijn, voor er sprake kan zijn van schuldbewustzijn tegenover iemand. Pas als de mensen God erkennen, worden ze zich bewust van hun zondigheid, maar niet andersom.”
We komen te spreken over de biecht. “Weet u wat Freud daarover zegt? 'De ritus van de zondebelijdenis bespaart de gelovige een private dwangneurose. Religie is een soort collectieve en culturele dwangneurose, omdat er zo vaak sprake is van schuld en wet, maar het bespaart de mens de echte ziekte. Vanuit mijn klinische ervaring is dat ook zo. In de psychotherapie is het ertoe kunnen komen schuld te aanvaarden, te bekennen en zich daardoor niet te laten breken, een uiterst moeilijk maar ook zeer wezenlijk moment.” Neemt hij zelf nog deel aan de biecht? Verbaasd en lachend: “Ja, natuurlijk. In de eucharistieviering. Maar ook in de persoonlijke biecht. Je kunt allerlei kritiek hebben op de praktijk. Maar het uitspreken van schuld tegenover iemand die getuige is in de plaats van God, is iets wezenlijks. Als men het hardop doet, is het meer dan wanneer men het bedenkt. Het is een beslissing om het uit te spreken.”
De ontkerkelijking beziet hij met vertrouwen. “We mogen ons niet laten bedriegen door sociologische theorieën die spreken van een algemene ontkerkelijking. Zijn er in de geschiedenis niet al talloze dieptepunten geweest? Er is iets nieuws aan het groeien. Iets dat de fase van ontchristelijking al heeft doorgemaakt. In Italië en in de Verenigde Staten is de geloofsbeleving heel intens. In Parijs en Lyon zitten de kerken vol. De religieuze vernieuwing ontstaat in de stad. De crisis was er daar eerder. De vernieuwing ook.'
Spreken over God is altijd een metafoor. “Iets wat niet echt gezegd kan worden, wordt toch gezegd. 'God is almachtig' betekent dan niet dat God alles kan, maar dat alles wat machtig is, in God zijn oorsprong heeft.” Maar wat zeg je dan? “Hij is de bron van alles. Er is geen macht naast God tegen God. Uiteindelijk zal God zegevieren over het kwaad.” Maar is Vergote dan nooit wanhopig geweest over de macht van het kwaad?
“Geneigd om ontgoocheld te zijn. Jawel. Iedereen heeft iets heidens in zich. Ik was in Noord-Frankrijk in 1940. België was al bezet, maar West-Vlaanderen nog niet: het was nog voordat de koning gecapituleerd had. De regering had alle jonge mensen tussen zestien en dertig jaar de opdracht gegeven naar Engeland te gaan om daar de oorlog voort te zetten.
In Noord-Frankrijk werden we ingehaald door het Duitse leger. Drie, misschien wel vier uur lang trok de Duitse tankcolonne langs, vliegtuigen erboven. Ik vond het indrukwekkend. Fascinerend. Een dergelijke georganiseerde macht had ik nog nooit gezien.
Tezelfdertijd besefte ik: dit heeft te maken met het radicale kwaad. Het radicale kwaad is het cynisme, waarmee men de morele betekenis van de mens vertrapt. Zich tegen het respect voor de ander verzet. Een soort absolute machtsbeleving in het vernietigen. In de adolescentie vind je dat in onschuldige mate, in het vandalisme soms erger. Maar je kon het in extreme mate vinden in het concentratiekamp.
Ik heb eens kort na de oorlog in de nachttrein gezeten met vijf mensen die bevrijd waren uit een concentratiekamp. De hele nacht zaten ze aan elkaar te vertellen wat ze hadden meegemaakt. Dat was demonisch. Die nacht heeft me ook doen nadenken: dit is niet meer onwetendheid, dit is radicaal kwaad. Het radicale kwaad poneert zich als de anti-God. 'Als ge u voor mij neerwerpt, zult ge alle macht hebben.'
Iemand die ik goed kende in de tijd dat ik in Parijs studeerde, vertelde mij dat hij regelmatig kaarten kocht om aanwezig te zijn bij de executie van collaborateurs. Die man had geen persoonlijke wrok. Dat vind ik het echte kwaad. Dan ben je toch medeplichtig, als je dat gaat bekijken?''
Maar wie zijn wij arme mensen dan in dit krachtenspel? “Napoleon zei al: Rien n'est plus fort que l'esprit. Niets is sterker dan de geest. En uiteindelijk overwint toch God.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.