*

 
dossier

Archief

Het alziend oog van de leerling

MICHA DE WINTER − 25/01/97, 00:00

“Een juf heeft al een paar keer geroepen dat hij stil moest zijn en aan het werk moest gaan. Geen contact. Dan stopt ze haar duimen in haar oren, en wappert met haar handen: “Achmed, geef antwoord!” Hij ziet het gebaar, kijkt verbouwereerd en roept: “Wát?” De ontwikkelingspsycholoog Micha de Winter hield gisteren, tijdens de Nationale Onderwijs Tentoonstelling, de Trouw-lezing. Anderhalve week volgde hij twee klassen, een op een school voor voorbereidend beroepsonderwijs en een op een school voor algemeen voortgezet onderwijs: “heeft u oordopjes bij zich?”

Maandagmorgen dus. De 'juf' (want op deze school heten de dames-docenten gewoon nog 'juf', en worden de heren 'meester' genoemd), de juf is een kwartier te laat omdat ze vast zat in de file. Als we binnenkomen zien we nog net een paar bankpasjes door de lucht vliegen. Het kabaal verstomt. “Hier met die dingen,” roept de juf, die tevens mentor is. “Waar komen deze pasjes vandaan?” Geen antwoord. Nogmaals: “waar komen deze pasjes vandaan? Ik wil het weten, desnoods blijven jullie hier tot vanavond zitten.” Achmed zegt: “Juffrouw, waarom moet u dat weten? U bent toch niet van de politie?” De juf weer: “Ik zie dat ze niet van jullie zijn, dus: hoe komen die dingen hier, en bovendien: waarom gooien jullie met andermans spullen door de klas?” Anwar: “ik heb onderweg naar school een plastic tas gevonden juf, en daar zaten vier, eh, drie pasjes in.” “Zo, gevonden zeg je, dat zal wel; en waren het er nou drie of vier?” Anwar bekent dan dat het er vier waren, maar inmiddels is er één kwijt geraakt toen ze ermee door de klas aan het gooien waren. “En waar is die vierde dan? Die tekenles van zo meteen kunnen jullie vergeten, eerst moet dat pasje tevoorschijn komen.”

Bijna alle kinderen beginnen de klas te doorzoeken. De bel gaat voor de volgende les: tekenen. Maar juf zegt dat iedereen in het lokaal moet blijven. Achmed kruipt uiteindelijk achter een schoolplaat, en komt dan triomfantelijk met het pasje tevoorschijn.

De spanning is uit de lucht, de toon van de juf is plotseling anders. “Anwar, ik vind het goed dat je de pasjes mee naar school genomen hebt; je bent een eerlijke jongen. Alleen moet je er niet stoer mee gaan doen, want daar heb je uiteindelijk jezelf mee.” Anwar vraagt angstig of de juf nu aangifte bij de politie gaat doen. “Waar ben je bang voor Anwar, dat ze je komen arresteren en dat je gemarteld wordt?” En tegen de klas zegt ze: “denk voortaan aan de personen die die spullen kwijt zijn geraakt, misschien wel een zielig oud vrouwtje dat nu geen boodschappen meer kan doen. Als we eerlijkheid willen als onze spullen gestolen zijn, dan moeten we zelf ook het goede voorbeeld geven!”

Er is nog geen half uur verstreken sinds ik voor het eerst 'mijn klas' binnen kwam. Om naar schoolse opvoeding, waarden en normen te kijken. Bingo, denk ik, daar staat het hier bol van!

Het verhaal waarmee ik begon speelt zich af in de onderbouw van het VBO, in een dependance met ongeveer 200 leerlingen. “Tot voor kort heerste hier de cultuur van de straat”, zegt de schoolleider. “Met hulp van buiten is er twee jaar geleden een nieuw schoolbeleid ingezet. Op basis van het Montessori-systeem zijn zelfwerkzaamheid en eigen verantwoordelijkheid van de leerling consequent doorgevoerd. Dat vereist véél, en vooral permanente opvoeding. We vertellen elke nieuwe leerling persoonlijk dat je hier zal worden aangesproken op je eigen keuzes: 'als jij die gestolen buzzer voor iemand anders verbergt spreken we jou daarop aan. En als je het gevoel hebt dat je bedreigd wordt als je weigert, dan kom je naar ons toe. Je kunt dus altijd een eigen keuze maken. Is dat de verkeerde, dan ben jij verantwoordelijk, en niemand anders'.”

Verder krijgt elke leerling aan het begin een lijstje met regels voor een veilige school voorgelegd. Er staan dingen op als: ik discrimineer niet, ik neem geen wapens of drugs mee naar school, ik blijf van de spullen van een ander af, ik doe niet mee aan pesterijen, ik speel niet voor eigen rechter en ik gebruik geen geweld. “Dat lijstje nemen we met ze door en we vragen ze het als een contract te ondertekenen. Maakt een leerling het later te bont, dan halen we het contract tevoorschijn en zeggen we: dit is toch het lijstje met regels waar je zelf mee hebt ingestemd, waar jij verantwoordelijk voor wilde zijn? Sinds we dit systeem hebben ingevoerd hoeven we bijna nooit meer een leerling van school te sturen.” Aldus de schoolleider.

Zou het werkelijk zo simpel zijn? Bevind ik me hier niet in de frontlinie van de samenleving, waarin problemen als armoede en werkloosheid, uiteenvallende gezinnen, verloederende buurten, verslaving, discriminatie, onveiligheid op straat zijn samengebald?

Achmed heeft het zwaar te verduren. “We proberen hem zijn straat-gedrag af te leren”, vertelt zijn mentor. “Door dat gedrag is ie al van twee scholen afgestuurd, wij zijn zijn laatste kans.”

Een juf heeft al een paar keer geroepen dat hij stil moest zijn en aan het werk moest gaan. Geen contact. Dan stopt ze haar duimen in haar oren, en wappert met haar handen: “Achmed, geef antwoord!” Hij ziet het gebaar, kijkt verbouwereerd en roept: “Wát?” “Wat zeg je in Nederland als iemand wat aan je vraagt? Het antwoord 'wat' beschouwen wij hier als onbeschoft, ik weet niet hoe dat in Marokko is.” Achmed zwijgt, kijkt schaamtevol naar de grond. “Weet je het niet Achmed, kom dan om tien voor vier maar even bij me, dan zal ik het je nóg een keer uitleggen.

De volgende dag blijkt echter dat hij hem na schooltijd meteen is gesmeerd. En dat zal hij weten ook! Terwijl de les natuuroriëntatie net is begonnen, komt de mentor het lokaal binnen. Dat gebeurt trouwens elke ochtend, ze komt de absenties opnemen. Is iemand er niet, dan volgt er onmiddellijk een telefoontje naar huis.

De mentor spreekt Achmed publiekelijk toe. Waarom heb jij je gisteren niet gemeld? Hij zegt dat ie kwaad was op de juffrouw, want ze maakte rare gebaren naar hem. Andere leerlingen vallen hem bij: zij is een bitch juf! Terwijl ze nog bezig is hem de les te lezen komt de schoolleider het lokaal binnen. Het gezag wordt hier duidelijk geëtaleerd: over de hoofden van de docent en de mentor heen spreekt hij Achmed streng toe over hetzelfde voorval. Maar als Achmed opnieuw zijn verhaal wil doen, krijgt hij te horen dat dat niet interessant is. Hij moet nú naar de docente om 'het te gaan regelen'. Je ziet aan Achmed dat hij uit het veld geslagen is door zoveel vermeende, en ook nog eens drie maal herhaalde onrechtvaardigheid.

Natuurlijk is het voor Achmed belangrijk om sociale vaardigheden te leren die in Nederland als vanzelfsprekend van je worden verwacht. Als je daar niet in voldoende mate over beschikt, dan kan je het op de arbeidsmarkt wel schudden. Dat is ook precies de reden waarom de school daar zoveel nadruk op legt. De vraag is echter of Achmed er op déze manier iets wijzer van wordt. Misschien is uitleg nodig, bijvoorbeeld in de vorm van een dialoog met leerlingen over dagelijkse voorvallen zoals deze. Achmed wil wel: “Zij zegt dat ik niet naar háár luister, maar ze moet ook eens een keer naar mij luisteren”.

Het verhaal dat over deze leerlingen gaat is dat er voor een school weinig eer aan ze te behalen valt. Dat blijkt voor mijn klas een mythe, mij viel op met hoeveel inzet de leerlingen elke les weer aan het werk gingen, hoe gebrand ze erop waren om hun aftekeningen te halen, hoe trouw ze zich telkens weer schikten in de (in mijn ogen bovenmatig strakke) Montessori-methodiek waarbij je voortdurend je eigen werk moet organiseren. En ten opzichte van de docenten geven de leerlingen blijk van een grote ruimhartigheid. Het is soms werkelijk verbluffend om te zien met hoeveel gemak ze zich accomoderen aan wat tegenwoordig sjiek verschillende 'doceer-stijlen' heet, aan de verschillende regels en omgangsvormen die hun juffen en meesters erop na houden. Een merkwaardig mengsel van strengheid en genegenheid, dat is wat me van het team op deze school het meest is bijgebleven.

Ondanks de moeite die ik, in tegenstelling tot de leerlingen, had met al dat strenge gedoe, spreekt uit deze school persoonlijke betrokkenheid, de school als geheel voelt als een warm nest. Iedereen kent iedereen bij de naam, bijna alle docenten weten veel over de persoonlijke achtergronden van elke leerling. Zo'n intieme sfeer is natuurlijk makkelijker te bereiken in een dependance van 200 leerlingen, dan op de megaschool voor vijftienhonderd leerlingen die nu in aanbouw is.

Tijd om naar mijn andere school te gaan. Een drie-athenaeum klas van een grote christelijke scholengemeenschap in een middelgrote stad. Een vrolijk ogende groep van 22 kinderen. Middle of the road zo te zien, geen uitgesproken punkers, gabbers, neusringetjes of kakkers. Ik ben nog niet van wal gestoken of ze beginnen al door me heen te praten: “waarom moeten ze altijd ons hebben?” roept iemand.

Biologie! Met een groep pubers over het menselijk lichaam praten, dat kan leuk worden. Aan het thema ligt het niet dat ze niet willen luisteren. Zodra ze het woord 'hormoon' of 'lichaamssap' opvangen, lijkt het wel of die van henzélf onmiddellijk worden geactiveerd. “Hé Jacqueline”, roept Sylvia door de klas, “hebben jullie nog gevunzekrunst gisteravond?” “Nee joh, eikel”, roept Jacqueline terug, “ik heb hem nog niet eens verkering gegeven; dat krijgt ie zaterdag voor z'n verjaardag!” Mag ik misschien even jullie aandacht, vraagt de docent vriendelijk. Maar Sylvia luistert niet, en zegt vol dédain: “verkering voor z'n verjaardag, waarom geef je hem niet wat leuks dumbo, geld of zo”? De les houdt dit chaotische verloop. De docent wil zijn spijsverteringssappen systematisch uitleggen volgens het boek, maar in ongeveer iedere zin die hij uitspreekt vinden de leerlingen aanleiding om tegen elkaar te gaan kwekken. Ik bewonder de man nu al om zijn geduld.

Op weg naar de volgende les loop ik met een groepje op. “Interesseert het jullie niet zoveel, die biologie”, vraag ik. “Ach, het is allemaal van dat theoretische gedoe”, zegt Marco, “niks an, en dan probeer je toch een beetje lol te maken. Die man is een beetje een softie.” Toch merkwaardig: je voelt op je klompen aan dat de leerlingen geraakt worden door het onderwerp van de les en toch komt er van kennisoverdracht niet veel terecht. Ligt dat aan zijn zachte vriendelijkheid? Natasha: “Bio is wel interessant, maar het moet allemaal uit het boek, het gaat nooit over jezelf!”

Ik merk dat het 'saaiheids-probleem' in het voortgezet onderwijs niet onopgemerkt is gebleven. Als je zo een paar dagen alle lessen achter elkaar volgt, dan vóel je de optelsom van alles wat de methodiek-ontwikkelaars, de pedagogische studiecentra en de educatieve uitgeverijen de afgelopen jaren hebben bedacht. De ene methode is nog mooier, creatiever, kleurrijker en afwisselender dan de andere.

Zo maar een lesuur Frans: een mondelinge overhoring; uitleg van wat nieuwe stof; luisteren naar een bandje; vragen beantwoorden; een kort dictee; nakijken van het werk; uitleg van de huiswerkopdracht. Allemaal volgens het boekje met bijbehorende hulpmiddelen. Afwisselender kan het bijna niet in 50 minuten.

Maar niet alleen Frans is zo vrolijk modulair georganiseerd. Een zelfde werkwijze geldt voor bijna alle vakken, met als gevolg dat vrijwel ieder lesuur volgens een eenvormige structuur verloopt. De methode als richtsnoer voor elke les. De docent kijkt in zijn schema en zegt: 'boek open, paragraaf 2.1.' Ik heb geen enkele keer een docent op zijn of haar praatstoel meegemaakt.

Er heerst op scholen - niet alleen op deze weet ik - een dwangmatige methodiekcultuur. Dat zal ongetwijfeld te maken hebben met efficiënte en effectieve scholen, met de kwaliteit van het onderwijsprodukt, met toetsbaarheid, met commercie misschien. Het is een cultuur waarin de vakmatige didaktiek zegeviert over een breder, maatschappelijk vormingsdoel.

Soms wil het tussen een leraar en een groep niet boteren. Dat leidt tot ramptaferelen. “Nu wordt het spannend meneer,” zegt Simon tegen me terwijl we naar het lokaal lopen. “Bij deze docent zijn we altijd ontzettend vervelend, u zult wel merken waarom.” En ook de docent weet al hoe laat het is: “U komt van de universiteit”, zegt hij tegen me, “heeft u oordopjes bij zich?” Het spel dat vervolgens gespeeld wordt, is bijna niet om aan te zien. Wat ongelofelijk grof en brutaal kunnen kinderen zijn! Wie hier eenmalig binnen zou vallen, zonder de leerlingen ook in andere situaties mee te maken, zou ongeveer alle vooroordelen en mythes die er over de jeugd van tegenwoordig bestaan voor 100% bevestigd krijgen. Nadat de docent iets heeft uit proberen te leggen, hetgeen hem vrijwel onmogelijk gemaakt wordt door het enorme kabaal en geëtter, steekt een mejuffrouw haar hand op en zegt: “zo meneer, zal ík het nu even uitleggen, zodat ze het wél begrijpen?” De docent probeert vriendelijk te blijven, maar de wanhoop staat in zijn ogen te lezen. “Eelco, waarom moet jij iedere keer zo hard praten?” “Omdat jij ook zo hard praat, denk daar maar eens over na.” Het is in één woord vreselijk, wat een lijdensweg!

Ik vraag achteraf om uitleg aan een paar van de grootste herrieschoppers. Emilie mort: “Ach, die man kan gewoon geen les geven, we hebben er al zo vaak over geklaagd. Vorig jaar waren er bijna geen onvoldoendes voor dit vak, en moet je nou met hem eens zien.” “Als ie nou eens wat beter zou uitleggen”, zegt Simon, “dan zouden we tenminste respect voor hem hebben.” Maar jullie geven hem helemaal geen kans om dat te doen, werp ik tegen. Daar willen ze niets van horen: hij is gewoon een slechte leraar vinden ze, en daarmee basta. “Weet je wat ze moesten doen”, zegt Eelco, “nieuwe leraren moeten een paar weken op proef, en dan moeten ze er met ons over praten.”

Het lijkt me niet zo'n gek idee, ik heb gelezen dat er op sommige scholen al mee geëxperimenteerd wordt, en met kennelijk succes.

Ik vraag nog of er wel eens gesprekken zijn georganiseerd tussen hen en deze docent. Het antwoord is nee. Over opvoeding gesproken! Terwijl langzamerhand iedereen zijn kinderen thuis leert dat problemen er zijn om uitgepraat te worden, leert men in het onderwijs de leerlingen onbewust hun frustraties te uiten door middel van etterig gedrag. Hoe zinvol zou zo'n gesprek niet kunnen zijn. De leerlingen weten immers precies te vertellen waarom zij vervelend doen. Als je ze het maar vraagt.

Het is wonderbaarlijk om te zien dat leerlingen, die in de ene les ontzettend onaangenaam en brutaal kunnen zijn, als individu of als groep, zich in de volgende les, soms vijf minuten later, kunnen ontpoppen als de aardigste, meest coöperatieve kinderen die je je maar kunt voorstellen. Een tekenlerares, die haast moeiteloos een sfeer weet te creëren van onderling respect en vertrouwen. Die kinderen voor elkaar laat poseren, waarbij en passant heel wat normen en waarden worden overgedragen: geen schunnige opmerkingen over elkaar, je verplaatsen in iemands kwetsbare positie, waardering uiten voor elkaar. Of de leraar scheikunde, die met zijn archaïsch taalgebruik een heel aparte stemming weet te scheppen: “Dames en heren, de volgende stap is begrijpelijkerwijs dat iedereen die nu nog praat een essay schrijft onder de titel: waarom het verstandig is om tijdens de les zo nu en dan te zwijgen.”

Wanneer we het over opvoeding op school hebben, dan komt al gauw de oude tegenstelling tussen onderwijs als een machinerie van kennisoverdracht én onderwijs als instituut voor persoonlijke en maatschappelijk vorming om de hoek kijken. Ik zie een derde weg: rekening houden met en gebruik maken van het alziend oog van de leerling.

Wij zouden leerlingen moeten gaan zien als onze adviseurs. Ten eerste zijn ze een stuk goedkoper dan externe adviseurs, maar wat belangrijker is: zij beschikken over een enorm kennispotentieel over het dagelijkse onderwijsproces. Ik denk dat veel docenten en schoolleiders hun koudwatervrees hiervoor moeten zien te overwinnen. Natuurlijk is het griezelig om je kwetsbaar op te stellen, natuurlijk schept frontale macht veiligheid. Maar wat je aan macht verliest, betaalt zich terug in gezag. En dat gezag heb je bij kinderen die opgroeien in de moderne onderhandelingshuishouding veel harder nodig dan macht.

We zouden in het onderwijs de woorden en het gedrag van leerlingen moeten leren zien als een signaal. Als een oproep tot een dialoog over de school zélf. Want daaraan hebben leerlingen behoefte, zo vertelden ze me keer op keer. Niet via een ver, abstract leerlingenparlement, maar gewoon in de klas, met je docenten, met de schoolleiding zo nu en dan.

mailIcon print |