*

 
dossier

Archief

OMMEZWAAI Muziekmanager wordt leraar Frans

MAAIKE VAN HOUTEN − 16/02/94, 00:00

“Jij durft”, zeiden vrienden drie jaar geleden tegen Rogier Starreveld (52), toen hij zijn directeurschap van een muziekuitgeverij verruilde voor een studie, en later voor een baan als docent. Maar de leraar Frans ontwaarde ook een lichte vorm van jaloezie. “Van mensen die niet gelukkig waren in hun werk, maar erin bleven hangen.”

Zover heeft Starreveld het niet laten komen. Na twintig jaar een druk leven te hebben geleid als manager van een muziekuitgeverij, wilde hij wat anders. Meer dan twintig mensen had hij onder zich, hij was de hele week aan het regelen en het organiseren. Geweldig werk, daar niet van. “Maar na zo'n lange tijd wilde ik weer investeren in mijn eigen mogelijkheden.”

In het jaar dat hij er voor uittrok om na te denken over zijn toekomst - langer lieten de financien niet toe en vond hij niet wenselijk - kwam hij terecht bij zijn oude liefde, Frans. Met die taal was hij thuis gedeeltelijk opgevoed, naar dat land ging hij graag toe, al was dat er tijdens zijn 'drukke regelbaan' alleen in de vakantie van gekomen.

“Ah, daar hebben we de eeuwige student”, zei een lolbroek tegen Starreveld bij het eerste college. Leuk vond de student-op-leeftijd dat niet. “Ik ben gewoon een nieuwe student”, zei hij verontwaardigd. Maar helemaal gewoon was dat niet. Twee of drie andere ouderen heeft hij bij Frans gezien, meer niet.

Afgezien van dit voorval, heeft hij de studietijd hartstikke leuk gevonden. Dat was geen verrassing, want ook tijdens zijn studie muziekwetenschappen jaren geleden, had hij ervan genoten urenlang met een onderwerp bezig te zijn. De leeftijd van zijn medestudenten vormde geen enkele belemmering, zegt hij. Hij vond het juist leuk om contact te hebben met de student van nu. Maar dat had wel grenzen: “Met mijn oudste dochter sprak ik af dat ik klaar zou zijn als zij ging studeren. Ik wilde niet in haar wereld treden”. Hij hield zich aan die belofte: drie dagen voor haar entree op de universiteit, deed hij zijn laatste tentamen.

Dat hij leraar zou worden, stond al snel vast. Het taalonderwijs heeft hem altijd erg geboeid. Aan zijn dochters, 19 en 17 jaar oud, zag hij dat dat sterk veranderd was. Toen hij in 1961 van school kwam, kon hij geen woord spreken, terwijl daar nu juist de nadruk op ligt. “Dat wil ik ook”, droomde Starreveld als hij de lesmethodes van zijn dochters door zijn vingers liet gaan. “Want ik hou van communicatie.”

Vertaald naar de klas betekent dat voor Starreveld dat hij vanaf het eerste moment zoveel mogelijk Frans met de leerlingen spreekt. De leerlingen in VWO-4 en -5 moesten daar aan wennen, die vonden het maar gek om in een vreemde taal te moeten spreken. Maar de brugklassers havo/VWO keken er helemaal niet van op. Fascinerend vindt hij het te zien hoe de jongsten omgaan met een voor hen volstrekt nieuwe taal. Ze bereiden nu een toneelstukje voor. Dat vindt hij fantastisch, al is hij na zo'n uur helemaal verpletterd, “dan tuiten mij de oren van zoveel lawaai.”

Starreveld vindt dat de leerlingen zich slecht kunnen concentreren. Ze doen tot zijn verbazing altijd twee dingen tegelijk. Dat jongeren niet van lezen houden wist hij wel, maar dat ze er zo'n aversie tegen hebben, is nieuw voor hem. Ook van vandalisme, diefstal en intimidatie in school kijkt hij op. Toiletten en meubilair zijn vaak kapot, zijn spullen moet hij goed bij zich houden en in de medezeggenschapsraad was het niet de vraag of er een condoomautomaat op school moest komen, maar of die voldoende beveiligd kon worden. Maar hij blijft er opgewekt onder: “Je moet maatregelen nemen, maar als je je er mentaal tegen blijft verzetten zodat het je leven gaat beheersen, dan ben je snel oud.”

Starreveld probeert zoveel mogelijk respect op te brengen voor de school- en jeugdcultuur anno 1994. Maar het verbaast hem niet dat zijn leeftijdgenoten het onderwijs massaal voor gezien houden. “Het is zwaar werk. Elke les is een optreden. Je moet voortdurend beschikbaar zijn, ook voor de stille kinderen, die hebben vaak zoveel in hun mars”, vindt de docent, die zelf aan zeventien uur genoeg heeft.

Op complimenten hoeft een docent niet te rekenen. Starreveld heeft het nog niet meegemaakt dat ouders hem uitbundig bedankten en leerlingen vinden een leuke les gewoon. “Dat werkt in het onderwijs anders. Waardering is er, als je goed contact hebt met je klas.”

Starreveld vindt het ontzettend jammer dat er op scholen maar zo weinig mensen rondlopen van zijn leeftijd. Juist het onderwijs heeft volgens hem behoefte aan mensen met levenservaring. Zij kunnen, zegt hij, over futiliteiten heenkijken, juist zij weten dat het erom gaat een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van het kind.

Bij zijn weten heeft zijn leeftijd bij de sollicitatie geen rol gespeeld. De rector zat er meer mee in zijn maag dat een invalsbaan aan het eind van een schooljaar de meest ondankbare taak is die zich hij maar bedenken kon. Angst dat hij zich als oud-manager en oudere leraar tegen de organisatie aan zou bemoeien, had de directie niet. “Ik heb die behoefte niet, de school is goed georganiseerd. En voor een goede leiding is dat trouwens ook geen punt.”

In de organisatie van een school spreekt hem vooral de platte structuur aan. Het overgrote deel van het team geeft les en er is een kleine top. “Dat vind ik plezierig”, zegt hij. “In het management heb je veel eenzame momenten, en hier kun je uitwisselen met collega's.” Dat ook het docentschap als een eenzame bezigheid wordt ervaren, ziet hij niet zo. Natuurlijk, als hij de deur dichtdoet, staat hij er alleen voor. Maar dat vindt hij juist het mooie, dan kan de communicatie met de klas beginnen.

mailIcon print |