Minister Ritzen van onderwijs, cultuur en wetenschappen is weinig ingenomen met het Trouwcommentaar van 10 oktober over het probleem van de wachtgelden (werkloosheidsuitkeringen) in het onderwijs. Vijf bureaus hebben onderzoek gedaan naar de oorzaken van de wachtgeldproblematiek. Trouw stelde dat de effecten van het vergrijzingsproces allang in kaart gebracht hadden moeten zijn.
Het is de commentator van Trouw wellicht ontgaan dat het onderzoek van de vijf bureaus in mijn opdracht is uitgevoerd. Zulk onderzoek heeft tot doel om door een grondige analyse van factoren die een rol spelen bij maatschappelijke problemen te komen tot verbetering en verandering. Het is het omdraaien van de werkelijkheid om elke aanbeveling tot verbetering op te vatten als een diskwalificatie van het tot dan toe gevoerde beleid.
Volgens Trouw blijkt uit het onderzoek dat de uitgaven voor het wachtgeld de komende jaren niet zullen dalen, zoals de minister nog geen maand geleden in het vooruitzicht stelde, maar zullen blijven stijgen tot om en nabij de anderhalf miljard gulden in het jaar 2000.
Zorgvuldigheid is wel op zijn plaats als er onvoldoendes worden uitgedeeld. Het onderzoek waarschuwt er voor dat - als er niets gebeurt - de kosten inderdaad zullen stijgen. Maar dat is nu juist wat ik wil voorkomen. Het kabinet zet met zijn beleid juist in op een daling, en dat is wat ik op Prinsjesdag vorige maand presenteerde. Dat is het verschil tussen beleid voeren aan de ene kant, en alles maar op z'n beloop laten aan de andere kant.
Het onderzoek beschrijft ook gunstiger scenario's. Voor 1996 lijkt dat te gaan lukken. Hoewel we de precieze cijfers nog niet kennen, ziet het er wel naar uit dat de groei van de wachtgelduitgaven zich dit jaar voor het eerst niet meer voordoet.
De vergrijzing van het personeelsbestand in het onderwijs is de belangrijkste oorzaak van het wachtgeldprobleem. Dat had het ministerie volgens Trouw al lang kunnen weten. Deze conclusie roept eens te meer de vraag op naar het waarnemingsvermogen van het ministerie. Dat had de effecten van het vergrijzingsprobleem toch allang in kaart gebracht moeten hebben, aldus de Trouw-commentator. De commentator moet nog maar eens het eigen archief in. Op 4 april van dit jaar opende Trouw de voorpagina met een artikel over vijf kolommen over de vergrijzing van het onderwijspersoneel en de gevolgen die dat heeft voor de onderwijsbegroting. Het artikel meldde terecht dat ik toen al honderden miljoenen extra had gevraagd aan het kabinet, voor maatregelen die het uit de pan rijzen van de uitkeringskosten moeten voorkomen.
In het onderwijs werken 300.000 mensen bij 10.000 scholen en andere instellingen. Iedere dag wordt er nieuw personeel benoemd, iedere dag vertrekken er mensen uit het onderwijs. De 10.000 instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor hun personeelsbeleid. Er ligt geen personeelsdossier van iedere leraar in het land op het ministerie in Zoetermeer. Toch moet het ministerie beschikken over beleidsinformatie over de ontwikkelingen in het onderwijs. Die is er ook, die wordt iedere dag gebruikt en iedere dag verbeterd. Op basis van deze informatie heeft het kabinet in het voorjaar ook geld beschikbaar gesteld voor de onderwijs-cao, waarin maatregelen zijn afgesproken die het voor ouder personeel aantrekkelijker maken om te blijven werken. Tegelijkertijd werd extra geld voor wachtgelden aan de begroting toegevoegd.
Precisie
Het onderzoekrapport bevestigt de ontwikkelingen die mijn ministerie en ikzelf al een paar jaar geleden hadden gesignaleerd. Toen waren de gegevens blijkbaar nog onvoldoende om anderen te overtuigen. Geleidelijk aan is - met enorme inspanningen - een solide gegevensbasis ontwikkeld. Door de beschikbaarheid daarvan en door de grondigheid van het nu net gepresenteerde onderzoek is veel meer precisie in de gegevens gebracht. Daardoor wordt ook duidelijk dat de problemen nog veel weerbarstiger zijn dan in de besluitvorming van het kabinet naar voren kwam.
Ook is duidelijk geworden dat we met gemakkelijke conclusies - zoals die in het Trouw-commentaar - niet verder komen. De onderwijssector wil zich niet op de borst kloppen. Maar het probleem van vergrijzing speelt overal op de arbeidsmarkt, in alle sectoren. Overal wordt op ruime schaal gebruik gemaakt van werkloosheids- of wachtgeldregelingen die ouderen de gelegenheid bieden uit te treden. Werkgevers en werknemers maken daar gebruik van. Juist de onderwijssector heeft voorop gelopen in het onderkennen van de problemen die dat oplevert, en in het zoeken naar aanvaardbare oplossingen.
Maar als het het probleem dan zo lastig is, waarom in de begroting voor 1997 dan toch nog die vermindering van uitgaven voor het wachtgeld opgenomen? Omdat we niet willen berusten in de groei van wachtgelduitgaven. Door de vergrijzing zullen overigens wel de arbeidskosten in het onderwijs de komende jaren oplopen: oudere leraren zijn duurder, en bijvoorbeeld wat vaker ziek. Dat probleem is zeker niet uniek voor het onderwijs; het speelt ook in andere sectoren, in en buiten de overheid. Wat wel uniek is, is hoe in de onderwijssector al met tal van maatregelen op de vergrijzing is geanticipeerd. Er zijn geen gemakkelijke oplossingen voor dit probleem, en ook geen oplossingen die geen geld kosten. Waar het om gaat is dat het extra geld, dat hoe dan ook nodig is, op de juiste manier wordt besteed: aan oudere leraren, die in overeenstemming met hun krachten hun ervaring en deskundigheid in het onderwijs inzetten. Dat is veel beter dan geld uitgeven aan wachtgelders die geen bijdrage meer leveren aan de kwaliteit van het onderwijs.
Bij onderwijs is er meer gebeurd aan de beheersing van de wachtgelden dan in welke andere sector dan ook. Dat neemt niet weg dat aanpassing van de regeling voor ouderen opnieuw op de agenda moet komen. Maar dan moeten we er tegelijkertijd wel voor zorgen dat de oudere leraren ook met plezier voor de klas kunnen staan.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.