*

 
dossier

Archief

Geen lekkere jongen, die Thomas Muster

NICOLIEN VAN DOORN − 27/05/95, 00:00

Zeg 'John McEnroe' of 'Andre Agassi' en de ogen van tennisliefhebbers lichten op. Zeg 'Thomas Muster' en er gebeurt helemaal niets. Hoeveel graveltoernooien de 27-jarige Oostenrijker ook wint en hoe hij ook getipt wordt als titelfavoriet van het Grand Slam-toernooi van Parijs, hij blijft een zwoegende baseliner die slecht tegen zijn verlies kan. Ook onder zijn collega's is de eenzelvige Muster niet populair. Wat hij overigens graag zo wil houden. “Want beroep is beroep en vriendschap is vriendschap.”

Zijn manager en coach Ronnie Leitgeb natuurlijk. Zijn vader, zijn moeder en zijn vriendin Mariella. En een stuk of wat Oostenrijkers, die hun nationalistische gevoelens voor deze ene keer laten prevaleren boven de bedenkingen, die ze jegens hun tennissende landgenoot hebben. Maar verder? Verder waarschijnlijk niemand.

Het is een hele klus om geen hekel te hebben aan Thomas Muster. Afgezien van Leitgeb is er niemand die hij zijn vriend kan noemen. “Ik ben een egoïst”, zegt hij van zichzelf. “Ik doe precies wat ik zelf wil. Daarom kunnen de meeste mensen niet met mij opschieten. Maar wat moet ik anders met het soort leven dat ik leid? Als ik geen muur om mezelf heen bouw, heb ik geen privé-leven meer. De buitenwereld mag het arrogantie noemen, ik noem het zelfbescherming.”

In het profcircuit staat Muster bekend als een aanmatigende Einzelgünger en een bijzonder slecht verliezer. Wie dat etiket krijgt opgeplakt in een wereldje dat stijf staat van de arrogantie en het chagrijn, moet het wel verschrikkelijk bont hebben gemaakt. En dat heeft Muster dan ook. Heel wat proftennissers kunnen meepraten van de ongenuanceerde kritiek, die de blonde Oostenrijker na een verliespartij op ze heeft afgevuurd.

Tijdens de Australian Open was Jacco Eltingh de gebeten hond. De Nederlander, die bij elke slagenwisseling naar het net opliep om Musters gedegen baseline-spel te ontregelen, werd na afloop bestempeld als een 'clown die niet kan tennissen'. Bij hoge uitzondering gaf Muster later toe dat hij spijt had van deze opmerking en dat hij Eltingh zijn excuses had aangeboden.

Op die excuses zit Daniel Vacek nog steeds te wachten. Ooit werd hij door Muster, nadat die onder het serveergeweld van de Tjsech was bezweken, gerangschikt onder 'al die tennissers met niet veel meer dan een harde service, waarmee ze geheel ten onrechte buitensporig veel geld verdienen.' En dat is dan nog mild vergeleken met de kritiek, die Musters teamgenoten in de Davis Cup over zich heen kregen. Over hun aanvaringen met Muster kunnen Horst Skoff en Alex Antonitsch zo langzamerhand een Stephen King-achtig horror-boek schrijven.

Een echte rotstreek leverde Muster vijf jaar geleden, toen hij vlak voor een ATP-toernooi liet weten dat hij geen zin had in het evenement. Afzeggen wilde hij echter ook niet, omdat hij zijn plaats niet aan een lucky loser wilde afstaan. Na één game deed Muster alsof hij te geblesseerd was om verder te spelen. De schorsing van tien weken, aangevuld met een forse boete, nam hij op de koop toe.

Muster maakt niet de indruk dat hij onder zijn impopulariteit gebukt gaat. Integendeel zelfs. De grimmige vechtlust, waarmee hij zijn tegenstanders de ballen om de oren mept en die hem de bijnaam 'Alpen-Boris' opleverde, beperkt zich niet alleen tot de tennisbaan. Beschuldigt Boris Becker hem van het gebruik van stimulerende middelen, omdat hij de ene dag als een dood vogeltje van de baan strompelt en in een ziekenhuis op krachten moet komen, en de dag daarop in vijf sets fris en vrolijk van de Duitser wint? In zo'n geval stapt Muster onmiddellijk naar de ATP en eist strafmaatregelen. “Tennis is mijn werk en in mijn werk hoef ik geen vrienden te hebben. Sterker nog, ik wìl ze niet eens hebben. Stel je voor dat ik zo iemand ooit als tegenstander op de baan tegenkom. Dan zou ik me misschien wel verplicht voelen hem punten cadeau te doen . . .”

Geen lekkere jongen, die Muster. Maar wel eentje, die alle respect verdient. Want wie had kunnen denken dat de Oostenrijker, die zes jaar geleden in Miami door een dronken automobilist omver werd gereden, zo'n indrukwekkende comeback zou maken? Twee weken na het ongeluk, dat hem twee gescheurde enkelbanden en een chronische rugblessure opleverde, was Muster op de trainingsbaan te vinden. Lopen kon hij niet, maar zitten wel. In een speciaal voor hem ontworpen stoel sloeg hij de ene bal na de andere. Vastbesloten om terug te keren naar de zesde plaats op de wereldranglijst, die hij ten tijde van het ongeval innam.

Hoewel de artsen hem hadden voorbereid op een langdurige lijdensweg, was Muster zes maanden later alweer terug in het circuit. Het jaar daarop won hij drie toernooien, bereikte de halve finale van Roland Garros en keerde terug in de top tien. Rugklachten en een nieuwe knieoperatie riepen zijn opmars een tijdelijk halt toe, maar eind 1993 wist hij zich toch weer bij de beste tien tennissers van de wereld te scharen.

Het leven van Muster heeft altijd in het teken gestaan van tennis. Zijn grote voorbeeld is - hoe raadt u het zo? - Ivan Lendl. Het is dat Lendl zich nog steeds onder de levenden bevindt, anders zou je waarachtig nog in reïncarnatie gaan geloven. Zo sterk lijken de Oostenrijker en de voormalige Tsjech op elkaar. Taai en vasthoudend tot de overwinning erop volgt. Ambitieus en vastberaden om alles uit zichzelf te halen wat er in zit. En niet te genieten, wanneer er een wedstrijd verloren gaat.

Net als Lendl compenseert Muster zijn gebrek aan talent met een onuitputtelijke werklust. “Mijn spel is voor 70 procent gebaseerd op werk en voor 30 procent op talent”, heeft hij in de loop der jaren ontdekt. Zwoegend en zwetend heeft Muster de pijnlijke herinnering aan het zestienjarige jongetje, dat elf jaar geleden zijn eerste proftoernooi speelde, trachten uit te wissen. “Het was in Kitzbühel en ik weet het nog als de dag van gisteren. Ik speelde alles met mijn forehand. Ik had geen backhand, geen service en geen volley. Iedereen die mij daar bezig zag wist meteen dat het met mij nooit wat zou worden. Ik heb alles, wat er tijdens dat toernooi misging, goed in me opgenomen en ben daarna als een gek op mijn zwakke punten gaan trainen.”

Sindsdien heeft Muster heel wat bijgeleerd. Vanaf de achterlijn drijft de linkshandige tennisser, die door Lendl 'het beest van het tenniscircus' werd genoemd, zijn tegenstanders tot wanhoop met razendsnel voetenwerk, een onvermoeibare conditie en snoeiharde topspinballen. Zijn eerste toernooizege boekte hij in 1986, op het Hilversumse Melkhuisje. Sindsdien zijn er 27 bijgekomen, op één na allemaal gravelzeges. Om zijn knieën te sparen blijft Muster zoveel mogelijk uit de buurt van snelle banen als hardcourt en gras. Daar komt bij dat hij zijn slagenrepertoire met hard trainen weliswaar heeft geperfectioneerd, maar dat zijn volley's nog even onbetrouwbaar zijn als elf jaar geleden. Wimbledon zal hij dan ook nooit winnen. Na vier pogingen, die alle vier in de eerste ronde bleven steken, denkt hij er zelfs over het prestigieuze grastoernooi voortaan uit zijn agenda te schrappen.

Gespannen wacht de wereld af, hoe Muster zich de komende twee weken in Parijs zal houden. Nooit eerder stond hij in de finale van een Grand Slam-toernooi. Nooit eerder ook heeft de buitenwereld zulke hoog gespannen verwachtingen van gehad van de tennisser, die in Parijs als vijfde is geplaatst en in de eerste ronde gekoppeld werd aan een qualifier. Op het gravel van Mexico City, Estoril, Barcelona, Monte Carlo en Rome was Muster dit jaar door niemand te stoppen. De in Monte Carlo woonachtige gravelspecialist, die van de tiende naar de vijfde plaats steeg, blijft er laconiek onder. “Ik weiger mezelf onder druk te zetten. Het lukt of het lukt niet. En als het niet lukt, is er nog geen man overboord.”

mailIcon print |