*

 
dossier

Archief

Schaatser rekent in Helsinki op medaille

JOHAN WOLDENDORP − 09/01/98, 00:00

VANTAA - Afgelopen dinsdag reisde Falko Zandstra al naar Helsinki, waar vanmiddag de Europese schaatskampioenschappen beginnen. De Fries verkeerde in de veronderstelling dat er in de grotendeels in duisternis gehulde Finse hoofdstad een nieuwe wereld zou opengaan; tot hij woensdagochtend in volstrekte eenzaamheid op de ijsbaan zijn trainingsrondjes reed. “Toen ik aan het schaatsen was, dacht ik: hé, hier ben ik vaker geweest.”

Opeens wist hij het. Van een wereldbekerwedstrijd op 6 december 1992 dateert zelfs nog een baanrecord van zijn hand op de 5000 meter: 7.00,54. Dat 'Oulunkyla' weinig emotionele gevoelens losmaakt bij de deelnemers aan de EK blijkt uit het feit dat Zandstra's stokoude pisterecord pas als laatste in de boeken is bijgeschreven. Het gebeurde in de tijd dat de 'gespierde spijker' nog gewend was alles te winnen. Tegenstanders kende hij niet van naam, doodeenvoudig omdat hij ze niet als concurrenten zag.

In dat licht valt ook te verklaren waarom Zandstra datzelfde jaar 1992 tijdens een persconferentie op de Olympische Winterspelen van Albertville op de vraag wie hij als mede-kanshebbers op de 1500 meter zag, de naam Bart Veldkamp noemde. De toenmalige mannencoach Ab Krook had daar later een zeer plausibele verklaring voor. “Die vraag overviel Falko. Niemand wilde dat ooit van hem weten. Concurrenten bestonden voor hem niet. Dus keek hij in lichte paniek om zich heen en zag als eerste Bart Veldkamp zitten.”

Albertville was toen een dissonant in zijn carrière, want hij kwam 'slechts' met een zilveren medaille op de vijf kilometer thuis. Na zijn topjaar 1993, toen hij zowel Europees als wereldkampioen allround werd, moest Zandstra, anders dan in de beginjaren van zijn sportieve loopbaan, met nederlagen leren leven. Stelselmatig probeerden mensen hem te bewegen de handdoek in de ring te gooien, maar iedere winter weer bewijst de man wie het succes aanvankelijk alleen maar kwam aanwaaien, onomstotelijk een typische survivor te zijn. Hij miste op de recente NK afstanden alle olympische kwalificaties die hij in gedachten had, maar schaatste wel persoonlijke records en verdiende 'fluitend' zijn EK-ticket. Met dat toernooi heeft hij trouwens in goede en slechte tijden altijd iets moois gehad. Sinds hij seniorschaatser is moest hij er maar één laten lopen; dat van 1996. Al die keren dat hij deelnam, mocht hij ook het podium beklimmen. Hij ziet zich dat in Helsinki voor de zesde keer doen.

De afgelopen jaren hebben allerlei mensen tal van verklaringen voor de vrije val gevonden. De kwalificaties 'te vroeg aan de top', 'te weinig karakter' en 'te gemakzuchtig' werden het meest gehoord. Laatst ontstond ook een heuse polemiek over zijn tien kilometer op het WK 1993 in Hamar: hij zou toen, ziek en oververmoeid als hij was, in fysiologisch opzicht zo diep in het krachtenreservoir hebben getast dat hij die immense inspanning daarna nooit echt te boven is gekomen. Zandstra zegt beter te weten. “Ik moet er om lachen. Ik heb toen misschien één ding fout gedaan. Je bent na een tien kilometer altijd kapot. Meestal steun je bij het uitrijden op je eigen benen en gaat daarna op het bankje zitten. Ik werd toen door Ab Krook opgevangen, waardoor je je anders gaat ontladen. Het was achteraf geen verstandige zet, maar het is onzin te beweren dat ik me toen over de kop heb gereden. Zo diep als toen ben ik daarna alweer diverse keren gegaan. Ik vind het zelfs heerlijk om tien kilometers te rijden. En dat ik te vroeg aan de top zat, vind ik ook flauwekul. Oké, dat hoge niveau houd je niet een hele carrière vol. Als je dan in een neerwaartse spiraal terecht komt, is het de kunst weer terug te komen. Ik heb bewezen dat ik dat kan.”

De oplossing voor het probleem werd Zandstra pas enkele weken geleden aangedragen door zijn arts Hans Wijnen. Die vond kort voor de NK afstanden eindelijk een geneesmiddel zonder vervelende bijwerkingen om histamine, de inspanningsastma waaraan de schaatser lijdt, te beteugelen. “In de laatste ronde van welke afstand dan ook, klapte ik vaak in elkaar”, zegt hij, “maar ik wist tot voor kort nooit waar ik de oorzaak moest zoeken. Je probeert de oplossing te vinden door met mensen te praten; in de hoop dat zij je verder kunnen helpen. Totdat mijn arts er achter kwam dat het puur een medische kwestie was. Vlak voor de NK afstanden kon hij mij het goede medicijn verstrekken. Daarvoor was ik ook al aan de beterende hand. De afgelopen drie maanden is mijn conditie twintig procent vooruit gegaan. Ondanks het feit dat ik de Olympische Spelen mis, kijk ik zeer tevreden terug op de NK afstanden. Ik verbeterde praktisch al mijn pr's. Ik ben nog steeds bezig de opgaande lijn door te trekken. Maandag reed ik in Heerenveen mijn snelste duizend meter ooit: 1.13,9.”

Zandstra ging al die moeilijke jaren zijn eigen gang. Hij overwoog commercieel te gaan met Rintje Ritsma, maar hechtte uiteindelijk toch aan de 'sociale' zekerheid van het kernploegleven. Toen de KNSB later alsnog het contract opzegde, kwam hij met een privé-sponsor - en als gevolg daarvan een eigen begeleidingsteam - op de proppen. “Het belangrijkste in al die jaren was dat ik heilig in mezelf geloofde. En in aanraking kwam met personen die dat ook deden. Naar mensen die mij afschreven, luisterde ik niet. Iemand die sterk is, leert teleurstellingen overwinnen. Dat karakter heb ik.” Het echtpaar Sjoerd en Akke de Boer speelde in dat opzicht een allesbepalende rol in zijn leven. Sjoerd als privétrainer, Akke als fysiotherapeut en acupuncturist. “Het is een kwestie van aanvoelen. Als trainer is Sjoerd voor mij de beste. Ook toen ik in de kernploeg zat. Als het er niet uitzag, ging ik een weekje onder Sjoerd techniektraining doen. Daar knapte ik prompt van op.”

Zandstra beschouwt deze olympische winter niet als een verloren seizoen. Wanneer Nagano in het brandpunt van de belangstelling staat, slaat de Fries een trainingskamp op in Collalbo en richt van daaruit de schijnwerper op het WK allround. Hij weet nu al dat hij volgend jaar ook topschaatser is. “Een beter leven kan ik me niet voorstellen. Ik ben ook niet met mijn toekomst na het schaatsen bezig. Waarom zou ik? Ik heb één jaar als vertegenwoordiger gewerkt. Dat beviel me niet zo. Ik blijf schaatsen zolang ik er iets mee kan verdienen. Dat ik de sport en een sponsor nodig heb om de hypotheek van mijn huis te kunnen betalen, is nonsens. Ik heb helemaal geen hoge hypotheek. Als ik nu zou stoppen, zou ik vijf jaar van mijn zakcenten kunnen leven.”

Eigenlijk kan hij maar één reden bedenken om te stoppen: de glimmende trots die Harley Davidson heet. “Als ik een keer in de put zit, ga ik er een eindje op rijden. Met mijn fascinatie voor snelheid heeft het niets te maken. Je kunt niet hard rijden op een Harley. Ellen (zijn vrouw - red) wil dat trouwens ook niet. Mijn droom is de Route 66 afleggen, van Chicago naar Los Angeles. Je mag er zonder helm rijden. Dat beschouw ik als het ultieme genot: dan hoor je de motor het best.”

mailIcon print |