AMSTERDAM - Een ongeluk bij mist. Schuld van de automobilist. Veel te hard gereden. Autorijders zijn hardleers.
Foute redenering, vindt hoogleraar psychologische functieleer, W. A. Wagenaar. “Hoe harder je rijdt in de mist, hoe leger het om je heen lijkt. De onderlinge afstanden zijn bij hard rijden het grootst. Men komt makkelijk in de waan dat men veilig hard kan rijden, want er is immers niemand. Pas als je afremt, schuift het in elkaar en dán merk je dat er veel anderen waren. Dat is één van die merkwaardige paradoxen, het lijkt bij mist pas onveilig als je langzaam gaat rijden.”
Wagenaar, sinds kort rector-magnificus van de Rijksuniversiteit Leiden, sprak vier jaar geleden tijdens een symposium van de werkgroep Mist van het Provinciaal orgaan verkeersveiligheid (POV) Brabant. Het mistongeluk op de A 16 bij Breda (8 doden, 27 gewonden) was net gebeurd. Het POV had een groot aantal aanbevelingen opgesteld om dat soort ongelukken in de toekomst te voorkomen: betere voorlichting, betere rij-opleiding én “bij onverantwoord handelen in het verkeer, zoals te hard rijden in de mist, moet er ook juridisch sprake zijn van crimineel gedrag of dood door schuld”. Want autobestuurders zijn hardleers.
Maar Wagenaar kwam met een tegendraads verhaal. Hij hield de congresgangers voor dat de automobilist het probleem van te hard rijden in de mist niet kán oplossen. “Dat moeten anderen voor hem doen. Als het mist op Schiphol, start men niet. Dan moeten de passagiers maar in de vertrekhal wachten. Het gedrag beïnvloeden door tegen de automobilist te praten helpt niet, want ze zijn het slachtoffer van een illusie aan de ene kant en aan de andere kant is hun gedrag gedicteerd door de omstandigheden. Ze kunnen helemaal niet anders.”
“Radioverkeersinformatie helpt daar niet bij. Zo lang men probeert de automobilist de volle verantwoordelijkheid te geven voor het oplossen van een paradoxaal probleem dat hij niet aankan, bijvoorbeeld door informatie te geven, bijvoorbeeld door hem te dreigen met strafvervolging, zolang men dat probeert, zal het probleem niet worden opgelost.”
Dus bij mist het verkeer op mistgevoelige trajecten maar volledig stilleggen?
De gedachte was verleidelijk, ook voor de werkgroep Mist van het Brabantse verkeersveiligheidsorgaan. “In de luchtvaart, de scheepvaart en bij het vervoer per spoor zijn er veel technische voorzieningen die de veiligheid dienen. Desondanks worden vliegvelden geheel en het scheepvaartverkeer ten dele stilgelegd bij zeer dichte mist”, merkte de werkgroep op. Om vervolgens te concluderen dat het stilleggen van verkeer toch niet echt een reële optie is. De maatschappelijke en economische gevolgen zouden veel te groot zijn, nog los van de onoverkomelijke praktische bezwaren.
- Vervolg op pagina 3
Adviessnelheid 50 Na de eerste knal gingen de borden aan VERVOLG VAN PAGINA 1
Helemaal niks van de zijde van de overheid is er sinds het ongeluk bij Breda niet gebeurd. Bij Prinsenbeek kwam een mistdetectiesysteem, gekoppeld aan elektronische wegsignalering. Het ministerie van verkeer en waterstaat hoopt eind dit jaar klaar te zijn met een onderzoek naar het beste mistsignaleringsysteem voor de andere wegvakken die 'mistgevoelig' zijn.
In de bestaande detectiesystemen die nu al zijn aangelegd op de drukke hoofdwegen in de Randstad en de ringwegen rond de grote steden, zit dat waarschuwingssysteem eigenlijk al ingebouwd. Verkeer en waterstaat wil de mistdetectie zo veel mogelijk in één elektronisch wegsignaleringssysteem opnemen. Inmiddels is zo'n 350 kilometer snelweg van dat systeem voorzien, de komende twee jaar moet daar nog 650 kilometer bijkomen. Al dat klaar is, is vijftig procent van het autosnelwegnet min of meer beveiligd.
Het waarschuwingssysteem werkte gisteren ook meteen op het wegvak van de A 9, nadat de eerste auto's in de ochtendspits op elkaar waren geknald. Adviessnelheid 50 stond er op de portalen boven de autoweg. Maar de ene na de andere nog natrillende autobestuurder verklaarde dat 'ie met minstens 80, 90 onder die signaleringsborden doorreed 'en nóg werd ingehaald.'
Gewoon doorrijden. Met de stroom mee. Ook zo'n opmerkelijk verschijnsel bij slecht zicht. Het Brabantse orgaan verkeersveiligheid zette de oorzaken van mistklappers destijds op een rij:
- de weggebruiker reageert niet of te laat op veranderende weersomstandigheden; hij is niet permanent bezig met het vaststellen van de zichtsafstand;
- de weggebruiker weet amper hoe lang de remweg is bij een noodstop;
- de weggebruiker geeft zich te makkelijk over aan groepsgedrag: het is niet één auto die de snelheid bepaalt van de groep, maar het zijn de reacties van de weggebruikers op elkaar, die de groep zijn snelheid geeft;
- de weggebruiker houdt bij de planning van zijn reis onvoldoende rekening met het weer, hij stelt de reistijd vast op grond van de ervaringen onder normale omstandigheden;
- het verantwoordelijkheidsgevoel is bij een aantal weggebruikers onvoldoende ontwikkeld, vooral bij zakelijke rijders en vrachtwagenbestuurders;
- het risicobesef ontbreekt niet zelden volledig: een ongeluk overkomt anderen, mij niet.
Hoewel de écht gevaarlijke punten op de verkeerswegen genoegzaam bekend zijn, denkt Verkeer en waterstaat pas aan het einde van dit jaar een overzicht te hebben van de plaatsen in het hoofdwegennet waar het mistgevaar het grootst is. D66 zei gisteren dat minister Jorritsma een beetje haast moet maken.
Rijkswaterstaat had op basis van de informatie uit de regionale dienstkringen in 1992 al een vijftiental wegvakken in kaart gebracht die mistgevoelig zijn. Breda, Flevoland en Leiderdorp sprongen er in negatieve zin uit.
Enige relativering bij mistongevallen is wel op z'n plaats. Nog geen twee procent van het jaarlijkse aantal ongelukken, gebeurt bij mist. En uit de cijfers blijkt dat er op dagen met mist niet meer ongelukken gebeuren dan op dagen zonder mist. Ze zijn vaak alleen wat omvangrijker.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.