*

 
dossier

Archief

Ha, een quiz!

PETER-ARNO COPPEN − 10/01/96, 00:00

Op het gevaar af dat ik in het eerste stukje van het nieuwe jaar al meteen voor nurkse wetenschapper word versleten, wil ik me aansluiten bij het legertje critici dat opmerkingen heeft bij de Nationale Wetenschapsquiz, die op 1 januari jongstleden werd georganiseerd door NWO en VPRO. Hoewel evenals het vorig jaar een taalkundige tot het panel was doorgedrongen, bleek geen van de gestelde vragen ook maar zijdelings verband te houden met de taalkunde.

Hieruit kunnen we een van de volgende conclusies trekken: (a) De samenstellers van de quiz vertalen het begrip 'wetenschap' gemakshalve met het Engelse science; (b) Men vindt dat de taalkunde in de media middels programma's als het Nationaal Dictee, Tien voor Taal, en niet te vergeten het landelijke proporties aannemende Spellingdebat, al ruime bekendheid geniet; (c) De moderne taalkunde leent zich niet voor quizvragen.

Zoals bij meerkeuzevragen wel vaker voorkomt, is geen enkel antwoord helemaal juist.

Antwoord (a) lijkt wel enigszins de waarheid te benaderen: in de Angelsaksische traditie wordt immers het begrip science gereserveerd voor de exacte wetenschappen. Toch blijkt dat wetenschappen die van oudsher onder de humaniora vallen, zoals geschiedenis, filosofie en psychologie, nou juist wèl in beide afleveringen van de quiz vertegenwoordigd waren.

Antwoord (b) kan wel juist zijn, maar berust in ieder geval op verkeerde uitgangspunten. Bij de genoemde mediaknallers zijn soms wel taalkundigen betrokken, maar ze gaan zonder uitzondering over normen voor taalgebruik, of over de herkomst van woorden en uitdrukkingen. De gemiddelde generatief taalkundige zal bij deze onderwerpen een geeuw niet kunnen onderdrukken. Vreemd eigenlijk: Niemand zal op het idee komen om regels voor goed gedrag of etiquette als onderdeel van de psychologie te beschouwen. Toch zal iedereen de spelling en regels voor goed taalgebruik onmiddellijk als taalkundige kwesties bestempelen.

Is antwoord (c) dan de beste keuze? Natuurlijk niet. Elke wetenschap die iets voorstelt kan in de vorm van quizvragen gepopulariseerd worden. Dat mag dan wel af en toe iets controversieels opleveren waar de precieze wetenschapper even van moet slikken, maar over het algemeen levert het weinig problemen op. Wetenschap gaat namelijk over de werkelijkheid die we dagelijks om ons heen zien. Goede quizvragen haken in op die alledaagsheid en laten zien hoe de wetenschap daar een verrassend licht op kan werpen.

De generatieve taalkunde gaat over ons taalgevoel. Dat kan geïllustreerd worden met de volgende quizvraag: In de zin Omdat Jan ziek was kon hij niet komen, kan het woordje hij betrekking hebben op het woordje Jan. Dit verschijnsel heet coreferentie. In de zin hij kon niet komen omdat Jan ziek was is coreferentie onmogelijk (voelt u wel?). Als we Jan en hij verwisselen, is coreferentie in beide gevallen toegestaan. Hoe komt dit?

(a) De context van het gesprek bepaalt altijd de coreferentie;

(b) Voor coreferentie moet het voornaamwoord op het woordje

Jan volgen, of het moet in een bijzin zitten;

(c) Het voornaamwoord moet ingebed zitten in ten minste één grotere woordgroep waar Jan niet in zit;

(d) In onze gedachten begrijpen we eerst de hoofdzin, en dan pas de bijzin.

Stuurt u vooral geen oplossingen in. Vertelt u mij ook niet dat geen van de antwoorden correct is, want dat weet ik zelf ook wel. Toch wijs ik volgende week het goede antwoord aan.

mailIcon print |