*

 
dossier

Archief

Zoekende wie hij zal verslinden 1 Petrus 5:8

FRITS DE LANGE − 31/01/98, 00:00

De duivel bestaat, hij heet Al Pacino en speelt in The Devil's Advocate, een film van Taylor Hackford die op dit moment in de bioscopen draait. Een product van de verbeelding van Hollywood, maar bloedstollend reëel. Bestaat er zoiets als het ultieme kwaad? En waar wordt het in deze wereld zichtbaar? Wat is de prijs van een goed geweten? En waar is God aan het eind van deze twintigste eeuw?

Voor een antwoord op deze vragen hoeven we niet onze toevlucht te nemen tot theologische of ethische abstracties, maar is een avondje naar de film genoeg. Zij die zich verbonden weten met het christelijk geloof kunnen ervan leren hoe centrale beelden uit hun traditie aan het eind van de twintigste eeuw nog een krachtige taal spreken. Tegelijk moeten ze constateren dat er door de filmmakers weinig heil meer van wordt verwacht: niet God, maar de duivel lijkt de dienst uit te maken in deze wereld.

The devil's advocate is een metafysische bestandsopname van de jaren negentig, een tijdrede in beeldtaal die de geestelijke stand van zaken in onze cultuur peilt. Het verhaal is snel verteld: een jong en veelbelovend advocaat uit de provincie wordt door de baas van een internationaal advocatenkantoor naar New York gehaald om daar voor hem rechtszaak op rechtszaak te winnen. Hij vergaart rijkdom en roem, maar betaalt een hoge prijs. Hij verliest niet alleen zijn mooie vrouw, ook zijn goede geweten moet hij inleveren. Of het nu een ontuchtige wiskundeleraar betreft of een invloedrijk industrieel die zijn eigen gezin uitmoordt, in alle gevallen raakt hij overtuigd van de schuld van de dader, maar pleit hij als advocaat - met succes - voor het tegendeel.

Kevin Lomax, de briljante advocaat, staat bij dit alles alleen zijn eigen carrière voor ogen. Langzamerhand wordt duidelijk dat hij daarmee in dienst is getreden van de duivel himself. John Milton, met gretigheid gespeeld door Al Pacino, is de naam van de baas van het advocatenkantoor. Hij zetelt op de top van een wolkenkrabber in een grote kantoorruimte (waar slaapt hij? Dat doet hij niet! Waar bedrijft hij de liefde? Overal!), die zich later in de film als het voorgeborchte van de hel zal openbaren. In een adembenemende scène op het dak laat Milton aan de jonge advocaat zien hoe heel New York aan zijn voeten ligt.

Bijbelvaste toeschouwers kennen Lucas 4 en weten hoe de duivel ooit Jezus op dezelfde manier met macht en roem verleidde. Maar Lomax is ziende blind. Uiteindelijk wordt de apocalyptische rol onthuld die hij als advocaat van de duivel toebedeeld heeft gekregen: hij blijkt zelfs letterlijk een zoon van Milton te zijn, een kind van de duivel ('So you are Satan?' 'Call me dad.'), dat is uitverkoren om hem nageslacht te bezorgen. Milton wil daarmee de macht van het kwaad in de wereld bestendigen en vergroten. Dat lukt hem net niet. Maar de kijker gaat naar huis met het dreigende gevoel dat de duivel het ten slotte zal winnen.

De film zit vol verwijzingen naar de bijbel en de literatuur- en filmgeschiedenis. Het pact dat de advocaat, deze magiër van het woord, met de duivel sluit is natuurlijk eenzelfde verbond als ooit door Faust met Mefistofeles is aangegaan. Niets wijst er aanvankelijk op dat Lomax daarvoor in de wieg is gelegd. Hij heeft een predikant als grootvader. Hoewel zelf een kind van de zonde - zijn moeder is ooit in New York door een aardige ober verleid - wordt de bijbel hem met de paplepel ingegoten. In de kerk laat hij zich echter niet meer zien: daar heeft hij 'zijn tijd uitgezeten,' zo meldt hij. Maar als de grote stad hem roept, neemt zijn moeder afscheid van hem met het woord waarmee Jezus zijn discipelen wegzendt: “Zie ik zend u als schapen midden onder de wolven.” (Math. 10:16)

Het cliché wordt in de film nog eens dik onderstreept: de stad is een poel des verderfs, waar jonge mannen uit de provincie ten ondergaan aan drank, afgunst en vrouwen. Maar Lomax is een verloren zoon die niet meer terugkeert naar het Vaderhuis. “Wijd is de poort en breed de weg die tot het verderf leidt,” is een tweede woord van Jezus dat moeder Lomax haar zoon een en andermaal voorhoudt. (Math. 7:13)

De film vormt in dit opzicht een weinig subtiele illustratie bij de bekende zondagsschoolprent van de brede weg die naar de hel leidt en waaraan de kermis en het café staan opgesteld en de smalle weg die ten hemel voert, geflankeerd door kerken. De brede weg wordt in The Devil's Advocate breed uitgemeten. 'Welkom in Babylon,' wordt de nieuwkomer toegevoegd als hij wordt voorgesteld aan zijn collega's op het advocatenkantoor.

Maar hoe zit het in de film met die smalle poort waar Jezus het over heeft? Die poort, zo kan men zeggen, dat is het goede geweten, dat de advocaat op het spel zet. De smalle poort, dat is een samenleving waarin niet de slimste en behendigste redekunstenaar uitmaakt wat recht en goed is, maar waarin de waarheid telt. Een samenleving waar niet de rechtspraak, maar het recht zegeviert. We lijken ver weg van dat ideaal. In dat opzicht biedt de film een treffend tijdsbeeld.

De duivel is een advocaat, suggereert de film met een weinig omfloerst moralisme. Wie kinderverkrachters en moordenaars willens en wetens verdedigt, levert zich uit aan het kwaad in persoon. Moeten we in deze wat al te letterlijke vertaling van de beeldspraak 'de advocaat van de duivel spelen' een flauwe aanklacht zien tegen een eerbare beroepsgroep die een waardevol onderdeel vormt van een evenwichtige rechtsorde? Of een venijnige speldeprik in de richting van het Amerikaanse rechtssysteem, met zijn incompetente jury's en een volledig doorgedraaide claimcultuur, waarin men elkaar om het minste of geringste (See you in court!) een proces aandoet?

Misschien staat de advocaat in de film niet alleen model voor ons rechtssysteem, maar voor heel ons culturele klimaat. Als het woord 'postmodern' iets wil zeggen dan is het dit: er is geen objectieve, gedeelde waarheid of moraal meer (de 'werkelijkheid', het 'goede') waarop door allen een beroep kan worden gedaan. Het subjectieve getuigenis van de een staat tegenover dat van de ander. Degene die het overtuigendst overkomt - en dat betekent in de praktijk: die de meeste invloedrijke krachten in onze samenleving achter zich krijgt - wint het pleit.

Het ware en het goede zijn daarmee de inzet geworden van de retorica, de verleidingskunst van het publieke spreken. Het zwaartepunt van de cultuur ligt dan niet meer pre-modern in de kerk en de religie, ook niet meer modern in het laboratorium of in de metafysica, maar - en daarin zijn we post-modern - in het rechtsgeding. Het ware en het goede worden de uitkomst van een steekspel van woorden. Waarheid en recht zijn altijd voorlopig en relatief, want morgen kunnen de krachtsverhoudingen weer anders zijn.

In dit rechtsgeding dreigt de slimste aan het langste, en het goede aan het kortste eind te trekken. Hollywood lijkt in The Devil's Advocate van zijn moralistische zondagsschoolgeloof in de onoverwinnelijke kracht van het goede te vallen. Het laat zich imponeren door de macht van het kwaad. Waarom? De film geeft een paar klassieke antwoorden op de vraag naar het hoe en waarom van het kwaad, die aangeven dat het trendy gepraat over postmodernisme niet zoveel nieuws gebracht heeft.

Dat de mens slachtoffer wordt van de verleidingskunst van de duivel is aan zijn vrije wil en aan zijn zelfzucht te wijten. Dat is de lijn in het denken die de kerkvader Augustinus aan het eind van de vierde eeuw al uitzette, en diezelfde draad wordt in deze film weer opgepakt. Blijkbaar kan dit antwoord op de tweeledige vraag: waar komt het kwaad vandaan? (dat weten we niet, we weten alleen dat de duivel er handig gebruik van maakt), en: wie is verantwoordelijk voor het kwaad? (dat zijn wij zelf) niet stuk.

Wat die vrije wil betreft: de advocaat Kevin Lomax wordt op een gegeven moment door Milton voor de keus gesteld om zijn psychisch ingestorte vrouw bij te staan, voor zij helemaal voor hem verloren gaat, maar dan óók de zaak waar hij als advocaat zijn eerste succes mee kan behalen te laten schieten. Er wordt geen enkele druk op hem uitgeoefend. Hij heeft alle gelegenheid het goede te kiezen, maar zijn zucht naar roem en succes geeft de doorslag. “IJdelheid is mijn liefste ondeugd,” lispelt de duivel later in een apocalyptische slotscène, terwijl hij nog eens benadrukt hoe deze keuze voor het kwade een vrije keuze is geweest. ”Jíj hebt haar verlaten.” Lomax moet hem gelijk geven. Mensen zijn geen marionetten in het poppenspel van het kwaad. “Ik trek niet aan de touwtjes,” aldus Milton, “ik zorg alleen voor de attributen.” Het spel van het kwaad spelen de mensen zelf. Daarin proefde ook Augustinus de tragiek van ons gevallen bestaan: na de zondeval is het onmogelijk niet meer te kunnen zondigen (non posse non peccare). Hoe dat komt? Omdat wij door de liefde voor onszelf (amor sui) en niet door die tot God worden gedreven. Zij maakt dat wij blind zijn voor de naaste, voor de schepping en voor God.

Al Pacino die Augustinus predikt? Dat is te vroom om geloofwaardig te zijn dan zouden we toch weer blind worden voor de diabolische rol die hij speelt. Als duivel is hij de aap van God (Luther), niet God zelf. Over God weet hij in die rol pijnlijke dingen te zeggen. Hij dist ze met satanisch genoegen op, maar gewone stervelingen worden daar niet vrolijk van. In de eerste plaats werpt hij God voor de voeten dat Hij een slechte schepper is. Hij heeft prutswerk geleverd. Hij heeft de mensen gebouwd op lust en verlangen, maar gunt hun niet de bevrediging daarvan. Zij mogen kijken, maar niet aankomen. Ze ruiken de macht, maar mogen er niet van proeven. Hier krijgt Milton de trekken van Dostojevski's Groot-Inquisiteur, die Christus eenzelfde verwijt maakt: Christus biedt de mensen wel het vuur van de hemel aan, en doet hen proeven van de vrijheid. Maar willen ze hun verlossing eigenlijk wel? Kunnen zij de vrijheid aan? “U hebt ze hemels brood beloofd, maar kan dat brood in de ogen van dat zwakke, voor eeuwig verdorven en voor eeuwig ondankbare menselijke ras opwegen tegen het aardse brood?”

Mensen zijn niet gebouwd op vrijheid, aldus De Groot-Inquisiteur, waarom zou je hun dan vrijheid aanbieden? Mensen zijn niet gebouwd op naastenliefde, aldus Milton in The Devil's Advocate, waarom zou je die dan ook van hen verlangen? “Je schuld is een zak met stenen die je met je meetorst,” houdt hij Lomax voor, wiens geweten opspeelt omdat hij niets heeft gedaan om zijn vrouw voor de afgrond te behoeden. “Zet die zak toch neer en beschouw het woord 'zelf' als heilig.” God moet de inconsequenties in zijn schepping onder ogen zien. Hij heeft mensen met een ego geschapen, maar neemt het hen kwalijk als dit ego zich gaat roeren.

Is het daarom dat het lijkt alsof God de wereld de rug heeft toegekeerd? Voor John Milton is het evident: God is vertrokken en van zijn afwezigheid kan hij als Gods tegenspeler nu profiteren. God is een 'afwezige huisbaas', op reis gegaan met onbekende bestemming. Samen bezoeken Milton en Lomax een bokswedstrijd. De strijd tussen God en de duivel vertoont alle trekken van zo'n match, vertelt Milton hem later. Die bokswedstrijd heeft nu zo'n twintig ronden in de christelijke jaartelling achter zich. Nu eens won de een, dan weer de ander, maar altijd met een miniem verschil aan punten. “Nu, aan het begin van de eenentwintigste ronde, lijkt het erop dat ik voorgoed ga winnen,” zegt Milton triomfantelijk in zijn apocalyptische slotrede.

De film refereert, op de drempel naar een nieuw millennium, aan onheilspellende eindtijdgevoelens. Meerdere keren wordt er hardop melding gemaakt van Openbaringen 18: “Gevallen, gevallen is de grote stad Babylon en zij is geworden een woonplaats van duivelen, een schuilplaats van alle onrein en verfoeid gevogelte, omdat van de wijn van de hartstocht harer hoererij al de volken gedronken hebben en de koningen der aarde met haar gehoereerd hebben en de kooplieden der aarde rijk geworden zijn uit de macht harer weelderigheid.”

De filmmakers moeten niet alleen dat hoofdstuk, maar heel de Apocalyps in gedachten hebben gehad. De dragende idee van The devil's advocate is de duivelsheerschappij, waarvan Openbaringen verhaalt. Aan het eind der tijden wordt satan “voor een korte tijd uit zijn gevangenis losgelaten om de volkeren aan de vier hoeken der aarde te verleiden”. “Wee de aarde en de zee, want de duivel is tot u neergedaald in grote grimmigheid, wetende, dat hij weinig tijd heeft.” (20:7; 12:12)

In Openbaringen voltrekt zich wel eerst een dramatische apocalyps, met een rijkdom aan schrikbeelden waarop een hedendaagse filmmaker jaloers zal zijn. Maar uiteindelijk zit God in het visioen van Johannes toch stevig op zijn troon en houdt Hij het heft van de geschiedenis in handen. Eind goed, al goed.

Die troost wordt ons in The devil's advocate niet gegund. De film toont ons een advocaat, maar zijn Rechter blijft buiten beeld. De bezoeker verlaat de bioscoop niet met het stralende licht van een nieuw Jeruzalem, maar onder de sombere klanken van 'Paint it Black' van de Rolling Stones. God is afwezig en blijft afwezig, zo lijkt het.

Toch lijkt de suspense waarmee de film de kijker naar huis stuurt niet minder heilzaam uit te kunnen werken dan een gelovig slot. Wordt in de bijbel zelf ook niet de duivel als 'vorst van deze wereld' aangeduid? Blijkbaar is het voor bijbelschrijvers zelf ook niet altijd evident wie de touwtjes van het wereldgebeuren in handen heeft. “Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden.” (1 Petr. 5:8) Suspense dus, ook in de bijbel. Misschien zit er meer duivel in de bijbel dan we voor waar willen nemen.

Maar wellicht zit er ook meer God in de film dan we vermoeden. Ik denk aan Mary Anne, de vrouw van de advocaat. Fausts Gretchen? Of is het ook een Christusfiguur, die in haar hardnekkige eenvoud het goede belichaamt? Die associatie wordt nog sterker als even later ook haar bloed rijkelijk vloeit. De gedachte dringt zich op aan dat andere slachtoffer, het geslachte Lam uit de Apocalyps.

mailIcon print |