*

 
dossier

Archief

beeldende kunst

CEES STRAUS − 12/10/96, 00:00

T/m 26 oktober galerie Groeneveld, Groeneveldsweg 8 in Almelo, wo-za 14-17 uur. Het boek 'Sulammith, vijftig tekeningen geïnspireerd op het Hooglied van Salomo', met tekst van Jan de Grauw, uitg. Stichting Gijs Voskuijl 80 jaar, Noordeinde 7, Spijkenisse, ¿ 49,50.

De reeks, die nog steeds groeit, was nog nauwelijks compleet te zien, maar daar wordt nu in voorzien door galerie Groeneveld in Almelo. Fotografische perfectie klinkt als een cliché voor deze tekeningen, die van een overtuigende levensechtheid zijn.

Zonder enig belang te stellen in het predikaat 'christenkunstenaar' laat Voskuijl (1915) zich hier door het Bijbelboek inspireren. Hij doet dat ook nog eens op een wijze, die licht tricky genoemd kan worden. Het gebruik van het motief van de naakte vrouw die op een bed van (joodse) gebedsdoeken ligt, kan immers gemakkelijk tot verkeerde opvattingen leiden. Voskuijl is echter de laatste om in zijn tekeningen dubbele bodems aan te wenden, of naar magische of fantastische tendensen te verwijzen. Wie een interpretatie van het bijbelse gegeven van hem verwacht, komt verkeerd uit: Voskuijl doet de werkelijkheid geen afbreuk. Hij tekent wat hij ziet, een realist pur sang die symbolische betekenissen lijkt te schuwen.

Maar ook zien leidt tot keuzes, waarbij Voskuijl de veilige marge van de klassieke pose aanhoudt. Zijn vrouwen rusten, slapen, dromen weg of zijn slechts met zichzelf in dialoog. Zelden kijken ze de beschouwer aan, er is weinig reden tot identificatie. Klassiek zijn ze in hun houding en daardoor staan ze voor een groter ideaal, een ideaal dat de kijker wel in beschouwing kan nemen, maar waaraan hij niet kan deelnemen. Voskuijls vrouwen ogen in hun in marmer gebeitelde perfectie nogal koeltjes: ze blijven hoezeer ze ook door de gloed van het bijbelse verhaal tot leven komen, op afstand.

Het motief van de gebedsdoeken blijkt minder een inhoudelijke dan wel een tekenkunstige bedoeling te hebben. De gebedsdoeken zijn met hun sterk lineaire en verticale lijnen die altijd parallel lopen, een abstract element dat structuur geeft aan de organische vormen die er op plaatsnemen. Het abstracte karakter wordt door Voskuijl verder uitgewerkt door de voorstelling aan de bovenzijde in het wit te laten uitlopen. De muur waartegen het bed staat, krijgt geen enkele contrast en de horizon ontbreekt. Het lichaam wordt als het ware op een baar van zwarte banen opgeheven, zonder referenties van tijd of plaats. Dat maakt de tekeningen, die in een tijdloze, soms wat al te academische stijl zijn gemaakt, nog minder onderhevig aan modes.

Opvallend is dat Voskuijl de banen van de doeken zo intens met licht en donker arceert, heel anders dan hij dat in de modellen doet. Voskuijl tekent zijn leven lang met een potlood met de hardheid 6B wat de allerzachtste kwaliteit is die voor handen is. Alle kleur die in de tekening zit, wordt met dat ene, boterzachte potloodje opgeroepen.

In de zes jaar dat Voskuijl zich met de verbeelding van Sulammith bezighoudt, is hij enkele keren van model verwisseld. Terecht stelt Jan de Grauw, die verbonden is aan het Nederlands Instituut voor Kunsteducatie, in de catalogus dat bij Voskuijl elke vrouw haar eigen sfeer, kracht en uitstraling in de tekeningen krijgt. Maar tegelijkertijd is dat ook de zwakke plek bij de tekenaar, die zich door het ene model duidelijk meer laat meeslepen dan door het andere. Niet elk model is in staat iets van zichzelf over te brengen. Soms heeft dat tot gevolg dat Voskuijl zich dan meer op de anatomie gaat richten. Dat zijn tevens de tekeningen waarin hij zich van zijn al te overdreven academische kant laat zien. Je vraagt je af hoe hij kijkt naar een model dat hem niet als ideaal overkomt. Klinkt de 'ode aan de vrouw' dan minder jubelend?

mailIcon print |