Kortgeleden schreef ik iets over kakkerlakken als lastige huisdieren, die onopzettelijk uit warmere landen werden binnengesmokkeld. Minder bekend is dat in ons land ook kakkerlakken in het wild voorkomen, hier zelfs van nature thuishoren. Het zijn maar vier van de 3500 soorten, die voornamelijk in de tropen leven.
Al 350 miljoen jaar geleden leefden zeshonderd soorten in de tropische wouden van zegel- en schubbomen, waarvan we de fossiele resten als steenkool kennen. In al die miljoenen jaren zijn deze alleroudste insecten nauwelijks veranderd. Hun primitieve lichaamsbouw past zo goed bij hun leefwijze dat ze zich tot de dag van vandaag hebben kunnen handhaven. Sommige van die fossiele Palaeodictyoptera leken meer op termieten dan op kakkerlakken en moeten de voorouders zijn geweest van de tegenwoordige termieten. Andere afstammelingen van de oerkakkerlakken zijn de bidsprinkhanen, gespecialiseerde jagers, die bijna niets meer van kakkerlakken weg hebben.
KAKKERLAK-KENMERKEN De tegenwoordige kakkerlakken hebben dezelfde platte lichaamsbouw, hetzelfde brede halsschild en evenwijdige vleugeladerpatroon als de oerkakkerlakken. Het halsschild bedekt bijna heel de kop, die naar beneden is geknikt, zodat de bek naar achteren is gericht, het achterhoofd naar voren en het voorhoofd naar beneden.
Andere typische kakkerlak-kenmerken zijn de draaddunne voelsprieten, die uit meer dan honderd segmentjes bestaan, en de lange doornige poten, waarmee ze snel over zelfs gladde oppervlakken vooruit kunnen komen. Ze hebben wat van kevers, omdat de leerachtige voorvleugels, die de dunne, vliezige achtervleugels moeten beschermen, eruitzien als dekschilden. Heel anders dan bij kevers is de vleugeladering duidelijk te zien en overlappen de voorvleugels elkaar op de rug.
SLECHTE VLIEGERS Vliegen is niet de sterkste kant van kakkerlakken. Ze vliegen soms over korte afstanden, maar blijven liever op de grond. Bij veel soorten zijn de vleugels verkommerd. Onder de inheemse kakkerlakken is het normaal dat de mannetjes goed vliegen en de vrouwtjes niet. Mannetje en vrouwtje verschillen vaak zo sterk van uiterlijk dat je ze voor twee verschillende soorten zou kunnen houden.
Die veldkakkerlakken, die we nooit in huis zien, zijn zelden groter dan een centimeter. Ze leven onopvallend op de heide tussen mos en heidestrooisel, langs de randen van bospaden en in pollen smele. Als ze in planten klimmen, kun je ze nog wel te pakken krijgen, maar tussen mos en strooisel zijn ze bijna niet te vangen. Je ziet ze eigenlijk pas als je in de hei zit of daar kampeert, in de tent bijvoorbeeld.
In leefwijze verschillen ze aanmerkelijk van de geïmporteerde kakkerlakken, die alleseters en nachtdieren zijn. Veldkakkerlakken eten voornamelijk plantenresten en zijn overdag actief.
OP ZANDGROND Ik heb nooit veldkakkerlakken in het polderland gevonden, altijd op zandgronden. Daar is de noordse kakkerlak een van de gewoonste soorten. Ik kwam hem tegen in de Noord-Hollandse duinen, in het Gooi, op de Veluwe, in Overijssel en Limburg. Van de andere drie veldkakkerlakken is de noordse te onderscheiden aan de hoekige zwarte vlek op het midden van het halsschild, dat verder ivoorkleurig is, aan de vage lichte band over de bruine kop en aan de donkere buik. Het mannetje heeft bruine, het vrouwtje gele poten. Het mannetje kan goed vliegen en zit vaak op lage struiken in de zon. Omdat het vrouwtje verkommerde achtervleugels heeft, kan ze niet vliegen. Haar voorvleugels reiken net tot het eind van het achterlijf.
De boskakkerlak komt zelden in de duinen voor, maar is overal op de pleistocene zandgronden gewoon. Hij lijkt op de noordse kakkerlak, maar de zwarte vlek op het halsschild is afgerond, niet hoekig. Verder is de boskakkerlak meestal zwartbruin met licht getinte doorschijnende voorvleugel- en halsschildranden. Het mannetje heeft volledig ontwikkelde vleugels, het vrouwtje korte, afgeronde voorvleugels, die maar de helft van het achterlijf bedekken.
De heidekakkerlak is de kleinste veldkakkerlak. Het breed gebouwde vrouwtje is direct te herkennen aan de heel korte, recht afgeknotte voorvleugels, die nog niet de helft meten van het sterk gevlekte bruine tot bruinzwarte achterlijf. Het smalle, gevleugelde mannetje is minder gemakkelijk te onderscheiden van noordse en boskakkerlak. Zijn vleugels zijn smal en spits afgerond, grijsbruin met donkerder bruine tekening. De heidekakkerlak is algemeen in de duinen en op de heide op plekken met weinig begroeiing.
Ten slotte is er nog de bleke kakkerlak, de zeldzaamste van het inheemse viertal. Deze kakkerlak is maar een paar keer in ons land aangetroffen. Beide geslachten kunnen goed vliegen, wat ze bij warm weer overdag doen in het bos, op de heide en in ruig grasland op zandgrond.
DE PARING Kakkerlakken maken weinig ophef van de paring. Van de noordse is de balts beschreven. Mannetje en vrouwtje betasten elkaars voelsprieten, waarna het mannetje alle vleugels tegelijk opheft. Achteruitlopend probeert hij vervolgens zijn achterlijf onder de kop van het vrouwtje te schuiven, zodat ze wat van de afscheiding van zijn rugklier kan oplikken. Tegelijk probeert hij zich helemaal onder het vrouwtje te schuiven om zijn achterlijfspunt aan de hare te koppelen. Daarna kruipt hij onder haar uit en vindt de spermaoverdracht plaats, terwijl beide dieren in tegengestelde richting staan.
Kakkerlakken leggen hun eieren in hoornachtige kapsels, die op een doktersvalies lijken en officieel oötheken worden genoemd. Tijdens het leggen van de eitjes scheiden klieren in het achterlijf een kleverige stof af, die aan de lucht bruin en hard wordt. De eieren worden een voor een beurtelings uit de linker en uit de rechter eileider geschoven en naast elkaar in de kleverige massa ingebed. Het vrouwtje draagt het kapsel een tijdje aan het achterlijf mee. Als het laatste eitje is gelegd, verstopt ze het kapsel in de vochtige strooisellaag in een kuiltje, dat ze keurig toedekt.
Het overwinterende eierpakketje van de noordse kakkerlak komt in de lente uit. De larven zijn nimfen, die eerst op wormpjes lijken, maar na de eerste vervelling nauwelijks van volwassen kakkerlakken verschillen. Ze zijn alleen vleugelloos tot hun laatste vervelling, die plaatsvindt in het tweede levensjaar. Ze zijn dan volwassen, paren, leggen eieren en sterven voor de winter. Je vindt dus nooit overwinterende volwassen noordse kakkerlakken, alleen eierpakketjes en larven.
Bij de boskakkerlak voltrekt de cyclus zich binnen een jaar: in de zomer worden de eieren gelegd, de nimfen komen uit in het volgende voorjaar, zijn in de zomer volwassen, paren en leggen weer eieren.
Alleen de eierpakketjes zijn nu te vinden, maar dan moet je wel heel goed zoeken. De kakkerlakjes zijn het meest actief in de nazomer.
NATUUR DEZE WEEK
Naast de sneeuwklokjes bloeien nu ook de winterakonieten in de tuinen. ù Ons land met zijn vele water is in deze zachte winter een uitnemend overwinteringsgebied voor noordelijke eenden. Honderdduizenden wilde eenden en smienten verblijven op de plassen. Jaarlijks neemt het aantal overwinterende krakeenden uit Oost-Europa toe. Kuif- en tafeleenden sluiten zich vaak aan bij meerkoeten en vormen samen troepen van tienduizenden vogels. Grote zaagbekken zijn vooral op het IJsselmeer te zien, maar ontbreken ook niet op grotere wateren in het binnenland. Opvallend kleine eenden zijn de wintertalingen, die zich doorgaans dicht bij de oever ophouden. In de troep vliegen wintertalingen dicht bij elkaar en zwenken ze razendsnel. ù Het is nu tijd om plannen te maken voor de tuin. Je kunt de natuur in de buurt helpen door voor vlinders en vogels aantrekkelijke planten in de tuin te zaaien. Bij de KNNV Delft is een lijst verschenen van zaden die door leden in hun eigen tuin zijn verzameld. De lijst omvat 80 voor het merendeel inheemse soorten planten voor een natuurlijke tuin. Een paar voorbeelden: brede lathyrus, scharlei, donkere ooievaarsbek, mottenkruid, Zeeuwse knoop, bochtig havikskruid, grote kattenstaart en kleine pimpernel. In de lijst is literatuur genoemd om de natuurtuin op een goede manier in te richten en te beheren. Wie de Zaadlijst 1998 wil ontvangen, dient een aan zichzelf gerichte gefrankeerde envelop te zenden aan: KNNV regio Delft, p/a Wezelstraat 38, 2623 CK Delft. De zaden kosten een gulden per zakje, waar de portokosten niet bij zijn gerekend.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.