Het bijna aan zijn natuurlijke einde gekomen derde kabinet-Lubbers begon in 1989 onder een gelukkig gesternte. De economie groeide, het aantal banen steeg met meer dan 100 000 per jaar. De druk op het stelsel van sociale zekerheid nam daardoor iets af en je zou zo zeggen dat er geen gunstiger moment is geweest dan in deze vier jaar om versneld te werken aan een fundamentele hervorming van het stelsel.
Nu, 4,5 jaar later, kan er eigenlijk geen andere conclusie getrokken worden dan dat er in feite bitter weinig gedaan is. Een nieuwe organisatiewet ligt er nog steeds niet, de WAO-ingreep is door werkgevers en werknemers al weer teniet gedaan en de herziening van de bijstandswet is blijven steken in een ruzie tussen staatssecretaris Wallage en de gemeenten. Het enige echte wapenfeit van dit kabinet is een geslaagde poging de drempel tot de WW te verhogen, maar of dat nu een fundamentele herziening van het stelsel is?
Het kabinet besloot is de zomer van '91 tot een ingreep in de WAO, die eigenlijk alleen verdedigd kon worden met de stelling dat de hoogte van de uitkering en de uitkeringsvoorwaarden ervoor zorgden dat het aantal mensen dat een beroep op de uitkering deed groter is dan strikt noodzakelijk. Voor die stelling valt een goed verhaal te houden, maar door de reparatie in CAO's zijn we goeddeels terug bij af. Premier Lubbers kan deze week nu wel zijn beklag doen dat werkgevers en werknemers repareerden, maar hij is er genoeg voor gewaarschuwd. De enige echte ingreep is nu nog de veel hardere wijze van keuren van eventuele arbeidsongeschikten. Doordat het begrip passende arbeid enorm is opgerekt, wordt bijna niemand meer volledig arbeidsongeschikt.
Het WAO-debat ging echter niet of nauwelijks over deze uitvoeringsmaatregel van Wallage. Alle heisa en protesten richten zich op de ingreep in de hoogte en duur van de uitkering. Het kabinet zette iedereen op het verkeerde been.
Zeker sinds de enquete van Buurmeijer en zijn commissie naar de uitvoering van de werknemersverzekeringen is er eigenlijk niemand die nog bestrijdt dat de uitvoeringsorganisatie herzien moet worden: minder langs de lijnen van bedrijfstakken, meer regionaal georganiseerd en een minder exclusieve machtspositie voor werkgevers en werknemers. De verschillende politieke partijen hebben hun standpunt hierover de afgelopen tijd ingrijpend veranderd, maar Wallage toont zich vooral besluiteloos. Hij is nog niet verder gekomen dat het aanvragen van een advies aan de Sociaal-economische raad, terwijl eerdere al bleek dat de Ser over dit onderwerp niet tot een vernieuwend advies kan komen.
De herziening van de bijstandswet die fraude moeilijker moest maken en gemeenten de gelegenheid moest geven tot een betere individuele toetsing van omstandigheden en behoeften, moest van Wallage nog voor de verkiezingen zijn afgerond.
Ook is het resultaat echter een complete mislukking. Wallage is tot nu toe zelfs nog niet in staat geweest de wet bij de Kamer in te dienen. Naar verluidt omdat hij nog steeds met de gemeenten kibbelt over de vraag of de staatssecretaris nog een nadrukkelijke rol moet spelen bij de uitvoering van de bijstandswet of dat de vrijheid van de gemeenten zo ver kan gaan dat er verschillen tussen gemeenten ontstaan.
Wallage mag blij zijn dat zijn voorstellen nog niet in de Kamer kunnen worden behandeld, want CDA en PvdA zijn nog steeds hopeloos verdeeld. Het CDA kiest de kant van de gemeenten, de PvdA die van Wallage.
Door het krachteloze beleid staat het stelsel van sociale zekerheid er, als dat mogelijk is, nog slechter voor dan aan het begin van de kabinetsperiode. En erger nog: gezien de wensen in de verschillende verkiezingsprogramma's valt niet te verwachten dat de komende kabinetsperiode een compleet stelsel zal zijn opgebouwd dat weer langer meekan.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.