*

 
dossier

Archief

Stervenszorg is geen euthanasie

ERWIN J.O. KOMPANJE; HANS VAN DAM − 13/05/95, 00:00

De auteurs zijn beiden verpleegkundige en publicist.

Rookhuizen deed deze uitspraak in een uitzending van Avro's Televizier van 9 mei. Dit naar aanleiding van het uitvoeren van een actieve euthanasie door een verpleegkundige in de 'verlengde-arm constructie'. Deze verpleegkundige, Jet van Weerd, voerde de euthanasie op uitdrukkelijk verzoek van de patiënt, die tevens een zeer goede vriend was, in bijzijn van de verantwoordelijke huisarts uit. Aan de gehele zorgvuldigheidsprocedure ten aanzien van actieve levensbeëindiging was voldaan, zij het dat de arts de daadwerkelijke uitvoering van de euthanasie, op verzoek van de patiënt, gedelegeerd had naar de betrokken vriendin.

Het verzoek om hulp bij levensbeëindiging was door de patiënt aan de arts gedaan, de arts heeft dit verzoek aangenomen en beloofd het te honoreren, de arts heeft een tweede arts geconsulteerd, de arts heeft gekozen voor het euthanaticum en deze medicamenten meegenomen naar het huis van de patiënt, maar de daadwerkelijke daad, het inspuiten van de middelen is door Jet gedaan. Eigenlijk wenste de patiënt hulp bij zelfdoding, maar gezien het vergevorderde stadium van zijn ziekte was hij hier niet meer toe in staat.

Na het overlijden heeft de arts via de politiearts de euthanasie aan de officier van justitie gemeld met aantekening dat de daadwerkelijke uitvoering van de euthanasie in de verlengde-arm constructie door een verpleegkundige was uitgevoerd. Deze toevoeging was aanleiding tot nader gerechtelijk onderzoek en terechtzitting, waarna een voorwaardelijke straf werd uitgesproken.

Wij zijn er zonder twijfel van overtuigd, dat de gehele uitvoering in dit geval integer heeft plaatsgevonden. De arts mag gezien de huidige wetgeving ten aanzien van actieve levensbeëindiging in beginsel de handeling niet delegeren aan een niet-arts. Mogelijk waren er in dit geval valide redenen dit wel te doen. Tevens zijn wij er van overtuigd dat dit een uitzonderingssituatie betreft.

Nu de vermeende uitspraak van mevrouw Rookhuizen. Euthanasie is in Nederland een strafbare handeling. Er volgt echter geen strafvervolging als aan een aantal zorgvuldigheidscriteria wordt voldaan. Deze zijn: een uitdrukkelijk en herhaald verzoek van de patiënt aan de arts om actieve levensbeëindiging, een objectief waarneembaar uitzichtloos lijden, een tweede onafhankelijke geconsulteerde arts die tegen uitvoering van euthanasie geen bezwaren heeft, familie die op de hoogte is van het verzoek en idealiter een geschreven verklaring van de patiënt waarin hij om levensbeëindiging vraagt. Ook in de ziekenhuizen wordt aan deze zorgvuldigheidscriteria voldaan. Immers intercollegiale en interdisciplinaire controle is hier groter dan in de extra-murale zorg, zodat men zich geen onzorgvuldigheid kan riskeren.

Naar onze ervaring wordt een dergelijke zorgvuldige euthanasie altijd door de arts uitgevoerd. Waarom zou de arts, die de gehele procedure heeft doorlopen, het laatste deel, de daadwerkelijke uitvoering, in de verlengde-arm delegeren naar een verpleegkundige? Wij kunnen ons daar geen plausibele redenen voor bedenken. Dat verpleegkundigen daadwerkelijk betrokken zijn bij de besluitvorming en het meewerken aan de handeling van een euthanasie is daarbij een normale gang van zaken en niet laakbaar te achten.

Normale zorg

Iets geheel anders is het verlichten van het terminale lijden door de toediening van ontspannende of pijnverlichtende middelen. Dit is geen euthanasie. Dat hier nu weer gesproken wordt over euthanasie is onverstandig en komt ons voor als stemmingmakerij. Het toedienen van deze medicijnen door verpleegkundigen behoort tot de normale zorg die wij gewoon zijn te geven aan een terminale patiënt. De intentie is om het sterven, subjectief voor de patiënt maar zeker ook objectief voor de familieleden, draaglijker te maken. Het is expliciet niet de directe bedoeling om de patiënt te doden in de zin van een goede dood te bewerkstelligen.

Dat verpleegkundigen deze medicijnen toedienen behoort tot hun normale werk. Zij voeren dit niet onder de noemer van euthanasie uit. De keuze voor soort en dosering zijn zodanig dat de patiënt hier niet direct aan sterft. Dit in tegenstelling tot de middelen die bij actieve euthanasie worden toegepast en die kenmerken door het direct dodelijke.

Vroeger gebruikte men de term passieve euthanasie voor het abstineren van behandeling en de medicamenteuze begeleiding van de terminale fase. Gelukkig hebben we deze benaming verlaten, het is geen euthanasie. Mogelijk zal het in sommige gevallen de dood verhaasten, deze echter niet veroorzaken, en hier ligt het duidelijke verschil met euthanasie. Men kan niet met stelligheid beweren, dat de patiënt door de toediening van bijvoorbeeld morfine eerder sterft. Men weet immers niet wanneer de patiënt zonder de toediening van deze medicamenten zou zijn overleden, want de patiënt is al in een stervensfase.

Dat de objectief waarneembare, bewust of onbewust verlopende, doodsstrijd met medicamenteuze begeleiding rustiger verloopt is echter evident. En dat is ook het primaire doel van de professionele begeleiding van de stervensfase. Familieleden zien het dan ook niet als een versnelling van de stervensfase maar een verlichting van het (ogenschijnlijke) lijden.

Door berichtgeving met een kop als 'Verpleegsters voeren vaak euthanasie uit', waarin het begeleiden van een terminale patiënt en diens familie gelijk wordt getrokken met actieve levensbeëindiging, ontstaat wederom spraakverwarring en onrust.

Euthanasie is voorbehouden aan de arts en alleen toegestaan als de patiënt daar uitdrukkelijk om verzoekt. Verpleegkundigen zullen dit in de praktijk slechts bij zeer hoge uitzondering uitvoeren. Het geval van Jet van Weerd is zo'n uitzondering.

mailIcon print |