ROTTERDAM - Een medische 'sluiswachter'. Heel wat sollicitanten zien de bedrijfsarts dikwijls zo. Tegen de functionaris die sterk doet denken aan een keurmeester lijkt zich het wetsontwerp-Van Boxtel te keren. Het initiatiefvoorstel dat volgende week in de Kamer besproken wordt, behelst afschaffing van de aanstellingskeuring.
“De ware bedrijfsarts is de bondgenoot van de werknemer”, zegt dokter Wolfgang Kotek. De scheidend bedrijfsarts bij Hunter Douglas (Luxaflex) in Rotterdam is fel tegenstander van het afschaffen van de aanstellingskeuring, die hij liever aanduidt met 'medisch aanstellingsonderzoek'.
“Want dat onderzoek wordt soms volkomen verkeerd opgevat door werkgevers en werknemers, maar ook door enkele bedrijfsartsen zelf. Nu blijkt de politiek ook op dat spoor te zitten. De bedrijfsarts màg helemaal geen selectie doen: daar is de personeelschef voor. Als er mensen buiten het arbeidsproces worden gehouden, komt dat dus door de personeelsfunctionarissen.”
Kotek spreekt met afgrijzen van 'de beste mensen uit de ruif plukken'. “Pas in alleruiterste noodzaak moet de bedrijfsarts tegen een sollicitant zeggen: meneer of mevrouw, dat werk deugt niet voor u.”
“In de praktijk lijkt het er echter op alsof de keuringsarts er is om jonge, aantrekkelijke, vitale, intelligente en sexy personeelsleden te selecteren, maar de Arbo-wet uit 1983 beschrijft de bedrijfsarts als een 'onafhankelijke functionaris die aan de kant van de mensen in het bedrijf moet staan en die als enig personeelslid rapporteert zowel aan de werkgever als aan de werknemersvertegenwoordiging'. Hij moet uitgaan van de mens die werk zoekt.”
“Bij een goede aanstellingskeuring moet de arts zich de vraag stellen of het werk, waar de sollicitant op af komt, wel voor hem geschikt is, en zo mogelijk moet de arts de bedrijfsleiding advies geven over een verandering van de werkomgeving of
-omstandigheden, zodat de sollicitant het werk goed aankan. Opkomen voor de werknémer is tenslotte ook in belang van de werkgéver. Een gezonde werknemer presteert beter.''
Van elke sollicitant die bij hem in het spreekkamertje kwam, maakte Kotek, zoals gebruikelijk, een 'belastbaarheidsprofiel'. Daarin staat gedetailleerd welke bezigheden een sollicitant heel goed aankan, welke zijn toegestaan, welke liever niet en welke taboe zijn voor deze man of vrouw. “Als ik iemand moet keuren voor werk als glazenwasser en hij of zij blijkt last te hebben van epilepsie, dan keur ik hem voor dat werk niet goed. Maar dan wordt hij nog niet onmiddellijk àfgekeurd. Ik vraag eerst of er binnen het bedrijf werk bestaat dat wel voor de man geschikt is. Mocht dat niet lukken, dan ben ik als bondgenoot van de sollicitant de grote verliezer. Ook dan geef ik de sollicitant zijn belastbaarheidsprofiel mee, zodat hij precies weet naar welke personeelsadvertenties hij moet kijken. En als een nieuwe werkgever vragen heeft, dan wil ik daar, met de sollicitant erbij, op antwoorden.”
“Een beetje bedrijfsarts werkt zo. Het zit ook in de opleiding. Onder degenen die het niet goed doen, zijn er natuurlijk die niet in staat zijn hun positie tegenover de bedrijfsleiding te verdedigen, maar als bedrijfsartsen zich tot keurmeester laten degraderen, komt dat doordat de sollicitanten het van hen verwachten. Sollicitanten hebben vaak een verkeerd beeld.”
Nu de Tweede Kamer de vraag op tafel krijgt om een eind te maken aan de aanstellingskeuring, verwijt Kotek dat de politici de bestaande wet niet goed kennen. “De indienende politici van D66 en de andere betrokkenen, zoals de leden van de Raad van State, zijn integere mensen, maar ze zijn slachtoffer van een communicatiestoornis. De bestaande wet, die opkomt voor de werknemers, moet worden toegepast. Men heeft zich echter blindgestaard op een fout beeld.”
“Ik begrijp niet dat de FNV zo staat te juichen bij het plan om de aanstellingskeuring af te schaffen. Het leidt alleen maar tot meer ziekteverzuim en meer toestroom naar de WAO. Het past in de bestaande praktijk in bedrijven waar mensen moeten hollen tot ze ziek zijn, opnieuw moeten hollen en ten slotte in de WAO terechtkomen. Daar moeten we van af.”
“Toegegeven, een bedrijf is geen sanatorium, zeker wanneer er herstructureringen aankomen.” Kotek ziet ook wel in dat sommige bedrijven bij bezuinigingen geneigd zijn als eerste te kijken naar de bedrijfsgeneeskundige. “Maar dat is heel kortzichting. Een goede bedrijfsarts verdient geld. En dan heb ik het nog niet eens over de mogelijkheid voor bedrijven om een minder goed presterende werknemer voor te dragen voor een partiële WAO-uitkering, in plaats van hem helemaal te laten afvloeien. Bij het toepassen van de deel-WAO kan een bedrijf met een kleine duizend werknemers per jaar zo'n één miljoen gulden uitsparen. Maar dan moet je een actieve bedrijfsarts hebben.”
Kamerlid R. van Boxtel (D66), die volgende week het initiatiefwetje zal verdedigen, weet genoeg voorbeelden van bedrijfsartsen die als volleerde keurmeesters werken. “De voorspellende waarde van keuringen is te verwaarlozen.”
Dat de bestaande Arbo-wet uit 1983 voldoende bescherming geeft aan werknemers, ontkent hij. “Deze wet gaat over de arbeidsomstandigheden in bedrijven. De sollicitant kan zich er niet op beroepen. Hetzelfde geldt voor afspraken tussen werkgevers en werknemers. Zulke protocollen hebben, ook als ze in de CAO's worden opgenomen, geen zin voor sollicitanten, eenvoudig omdat zij niet onder de CAO vallen.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.