*

 
dossier

Archief

Tussen Wagenaar en Andriessen: 1000 matinees

FRANZ STRAATMAN − 29/01/98, 00:00

Wordt zaterdag aanstaande zaterdag echt het duizendste concert gegeven in de befaamd geworden reeks 'Matinee op de vrije zaterdag'? Ik heb ze niet geteld; ik geloof de organisatoren. Twee afstuderende musicologen wijdden hun scriptie aan ruim dertig jaar matinee; zij telden gedurende hun grondig geschied-onderzoek 837 concerten tussen 1961 en 1993. Daarna moet het bijhouden eenvoudig zijn geweest.

Ik was, helaas, niet bij de eerste matinee op 23 september 1961. Een keurig net programma: het Radio Filharmonisch Orkest speelde het eerste pianoconcert van Liszt met Eduardo del Pueyo als solist, van de Falla 'Nachten in Spaanse tuinen' en van Ravel de suite uit 'Daphnis en Chloë'. En er stond een Nederlands werk op het programma: de ouverture 'Cyrano de Bergerac' van Johan Wagenaar. Zoals het hoort, zeggen we thans met de 7-procent norm van Nuis.

Een van de vier uitgangspunten van de Matinee hebben we hiermee genoemd: onbekend repertoire, concertante opera, Nederlands muziek en eigentijds repertoire. Geen wereldschokkende opzet van de bedenker van de serie, Hans Kerkhoff, als je ziet wat er nu allemaal aan muziek te beluisteren valt in grote en kleine zalen. Destijds wel, zeker in het kader van de omroepvereniging die de Matinee begon: de Vara. Bij de doelgroep, de arbeidende bevolking in de zin van de 'gewone man', zou je denken aan licht klassiek repertoire met bekende mopjes.

De Vara-leiding zag haar publiek toch al geëmancipeerder; alleen in financieel opzicht bleef zij dicht bij de mogelijkheden van de doelgroep. Op het affiche voor het seizoen 1974-75 werd dat (na de loonexplosie van eind jaren zestig) nog onderstreept met de slogan: veel muziek voor weinig geld. Een passe-partout voor alle dertig concerten in het lopende seizoen voor 525 gulden, houdt een concertprijs van 17,50 gulden per keer in. Losse kaarten zitten tussen 25 gulden (zoals voor aanstaande zaterdag met een groot nieuw werk van Louis Andriessen) en 50 gulden; alleen de opera springt er uit: 65 en 85 gulden.

Terugkijkend is het wel bijzonder hoe constant en consequent de achtereenvolgende programmeurs (Kees Hillen, nu artistiek directeur van het Rotterdams Philharmonisch; Jan Zekveld, kortstondig artistiek directeur van het Concertgebouworkest en de huidige verantwoordelijk André Hebbelinck) de uitgangspunten van Kerckhoff hebben aangehouden. De Vara-matinee maakte zelfs school in het programmatisch denken bij andere orkesten.

Vara-matinee. De woordcombinatie glipte al enkele malen uit de vingers het toetsenbord in. Het viel me op dat het eerste concert simpelweg aangeduid werd met 'Matinee op de vrije zaterdag'. Niks 'Vara' ervoor, wat later het geval was. Het werd echter meteen spraakgebruik: 'naar de Vara-matinee gaan'. Dat is er niet uit te hameren, ook al doen sinds 1993 de Vpro en de NOS (thans NPS genaamd) mee; de kostenlasten werden de Vara te zwaar.

Wel gebleven is de thans anachronistische aanduiding: 'op de vrije zaterdag'. Hier klinkt een echo in door van de sociale strijd om menswaardige werkweken en werktijden. Eerst hadden we alleen maar de 'vrije zaterdagmiddag'. In 1961 kreeg de werkende mens de héle zaterdag cadeau. Tijd voor boodschappen èn cultuur; een lumineus idee (misschien wel het beste uit een eeuw arbeidersemancipatie) van de Vara-leiding om de Matinee te beginnen. Maar de aanduiding 'vrije zaterdag' staat wonderlijk in een tijd dat atv, vut, deeltijd en verkorte werkdagen het werkritme bepalen, èn in een tijd dat in de steden voor het winkelpersoneel (wie volgt?) de onvrije zondag als nieuwste ontwikkeling in de 24-uurs economie is doorgevoerd.

Goed: we moeten het hier over muziek hebben: de komende duizendste Matinee. Noblesse oblige: zowel onbekend, als modern, als Nederlands repertoire biedt Nummer Duizend: de 'Trilogie van de Laatste Dag' (1996) van Louis Andriessen. Geen wereldpremière, want die vond vorig jaar plaats in Keulen, maar wel de Nederlandse première.

“Zijn muziek is van cruciale betekenis geweest voor de ontwikkeling van een typisch Nederlandse stijl van componeren, die zich onderscheidt door economie, nuchterheid en eigenzinnig vruchtgebruik van bestaande muzikale modellen, uiteenlopend van popmuziek en met Perotinus.” Aldus een algemene kenschets van Andriessens werk in het onlangs verschenen 'Het Honderd Componisten Boek'.

Zelf schreef hij eens: “Essentieel voor mijn manier van componeren is het besef dat muziek altijd over andere muziek gaat. Dat heb ik natuurlijk van Stravinsky, die in veel opzichten mijn grote voorbeeld is. Het is een houding die er toe leidt dat je voortdurend je interesses verplaatst. Bij componisten die altijd maar in een één richting doorwroeten, zoals Schönberg, voel ik me niet thuis. Eerder bij alleskunners: de Purcells en de Stravinsky's, die van allerlei markten thuis zijn, links wat lenen, rechts wat stelen, en - niet te vergeten - veel voor het theater gewerkt hebben.”

Het specifieke aan Andriessen ontwikkelde zich na 1970 vanuit de kennismaking met de zogeheten 'minimal music'. In 1976 leidde dat tot het eerste grote werk, 'De Staat', het begin van een serie die met 'Mausoleum' (1979), 'De Tijd' (1981) en 'De Snelheid' (1983) internationaal de aandacht zou trekken. Andriessen is de enige Nederlander in de catalogus van de wereldwijd werkende Londense muziekuitgever Boosey and Hawkes.

Dat hij zijn weg vervolgde in de richting van muziektheater met 'Materie' (1989) en 'Rosa' (1994) is niet vreemd gezien de vervlechting van vocaal-instrumentaal in de eerder genoemde werken. 'De Trilogie van de Laatste Dag' op de duizendste Matinee (wat een apocalyptische aura oproept) is tot nu zijn grootschaligste uiting van het 'bestrijdingsmiddel tegen doodsangst of depressiviteit' zoals hij componeren eens omschreef.

mailIcon print |