*

 
dossier

Archief

OPVOEDINGSONDERSTEUNING

ARLETTE DWARKASING − 29/01/97, 00:00

Meerlingentelefoon: 078-6155781 Opvoedtelefoon: 06-8212205

Zelfs bij de consultatiebureaus of de schoolartsen blijkt weinig deskundigheid over het opvoeden van meerlingen. De NVOM werd meer en meer gebeld door ouders die door artsen, wijkverpleegkundigen of door medewerkers van de Opvoedtelefoon naar de vereniging werden verwezen.

“Op specifieke vragen over twee-, drie- of meerlingen bleken deze deskundigen geen antwoord te hebben”, zegt Jeanette Hol, vice-voorzitter van de NVOM. Daarom is de vereniging de Meerlingentelefoon begonnen, met een startsubsidie van de Stichting fondsenwerfacties volksgezondheid en de Stichting kinderpostzegels. De Meerlingentelefoon is slechts één dagdeel per week bemand. Op een antwoordapparaat is te horen wanneer.

“We willen geen variant zijn op de Opvoedtelefoon”, zegt Hol, voedingsdeskundige en zelf moeder van een tweeling van bijna zes jaar. “Maar via onze NVOM-infolijn kwamen steeds meer opvoedingsvragen binnen van mensen die elders al hadden aangeklopt, maar niet verder geholpen konden worden. De infolijn wordt op verschillende tijdstippen door drie leden bemand. Die doen dat tussen de dagelijkse werkzaamheden in het gezin door. Dan kun je hooguit antwoord geven op praktische vragen over de vereniging of wat ouders moeten aanschaffen als ze een tweeling verwachten. Maar de vrouwen hebben geen tijd om diepgaand op een opvoedingsprobleem in te gaan. Degene die nu aan de Meerlingentelefoon zit wel.”

Verschilt het opvoeden van een meerling dan zo met het grootbrengen van een eenling?

“Neem bijvoorbeeld de ruzies en conflicten. Die zijn heel anders dan bij broers en zussen die in leeftijd verschillen. Je kunt ze niet aanspreken op het ouder of jonger zijn. En omdat ze even oud zijn denken ze ook dat ze dezelfde rechten hebben. Juist omdat ze door anderen steeds met elkaar worden vergeleken is de strijd om even lief te worden gevonden zoveel heviger. Het is een steeds weer terugkomende concurrentiestrijd die door de buitenwereld nog eens benadrukt wordt doordat er bij meerlingen zo nadrukkelijk wordt gelet op overeenkomsten en verschillen. Ik doe het zelf ook hoor, als ik andere tweelingen zie. Dan zeg je: “Wat lijken die op elkaar” of “Zij het kan iets net beter dan haar zusje”. Mensen - ook de ouders zelf - moeten beseffen dat het voor de kinderen heel vervelend kan zijn.”

Zo heftig als meerlingen elkaar willen beconcurreren, zo sterk kan ook hun 'blokvorming' zijn. Ze vormen dan een eenheid tegenover de buitenwereld. Met z'n tweeën of drieën heb je meer macht.

“Dat opnemen voor elkaar is natuurlijk ook wel lief”, zegt Hol. Maar kinderen moeten ook leren dat ze verantwoordelijk zijn voor hun eigen daden. Broers en zussen die in leeftijd verschillen nemen het ook wel voor elkaar op, maar daar zal vaker duidelijk zijn wie wat heeft gedaan en dan is het meer een kwestie van dat de een de ander verdedigt, in bescherming neemt. Meerlingen kunnen zich zo met elkaar vereenzelvigen dat het haast niet meer uitmaakt wie wat heeft gedaan. Het is 'wij' tegenover derest.

“Het ontwikkelen van een eigen identiteit gebeurt al heel vroeg”, zegt Hol. “Daar proberen we ouders op te wijzen. Je hoeft ook weer niet te gaan hakken om de band tussen meerlingen te verbreken, maar spreek ze bijvoorbeeld niet steeds maar samen aan. Niet: Wat willen jullie drinken. Maar vraag het ze afzonderlijk. Het is best grappig een tweeling precies dezelfde kleren aan te trekken, maar bedenk hoe het voor de kinderen zelf is om steeds maar 'in een spiegel' te kijken. Als je per se dezelfde kleren wil, kies dan voor andere kleuren. Sommige ouders zeggen: De kinderen kiezen er zelf voor. Nou, dat komt volgens mij dan omdat ze van baby af aan niet anders gewend zijn.”

Aanstaande ouders van meerlingen zouden al bij de keuze van de voornamen goed moeten bedenken wat ze hun kinderen aandoen met namen als Heleen en Marleen of Tom en Tim, vindt Hol.

“Dezelfde voorletters, dat gaat zeker mis bij inschrijvingen in een ziekenhuis of voor de studiefinanciering. Dat is praktisch gezien lastig, maar emotioneel gezien ook niet prettig.”

Het zijn vooral peuter- en kleuterouders die de NVOM en nu de Meerlingentelefoon raadplegen. In de babytijd gaat het veelal om praktische vragen of eet- en slaapproblemen die ook voor eenlingen gelden. Maar zodra de kinderen wat ouder worden komen de identiteitsproblemen boven en spelen ook vragen als: moeten ze in dezelfde klas of niet. En: hoe gaan we het met de zwemlessen doen. Tegen de tijd dat de meerlingen naar het voortgezet onderwijs gaan zijn die problemen meestal wel overwonnen, meent Hol.

“We pretenderen niet dat we overal een pasklaar antwoord op hebben. Maar we kunnen ouders vertellen over verschillende ervaringen en ze zo helpen een eigen keuze te maken.” Ervaringen met meerlingen in de puberteit hebben de NVOM-leden nog niet. De vereniging - met 2300 leden - bestaat pas zes jaar. Ook hulpverleners en leerkrachten bellen wel eens. Een wijkverpleegkundige bijvoorbeeld die bij een gezin met een drieling over de vloer komt en niet weet wat de ouders te adviseren als het spaak dreigt te lopen. Hol: “Tips van ervaringsdeskundigen komen dan van pas.”

mailIcon print |