Amsterdam-Tuschinski, Alfa, De Uitkijk; Rotterdam-Calypso; Den Haag-Babylon.
De Oscar-nominaties zijn terecht. Allen weet een genre dat bijna zo oud is als Hollywood zelf, nieuw elan te geven. Met verve en merkbaar plezier benut hij de clichés van de vele films waarin uit de doeken gedaan wordt welke vuige intriges zich afspelen achter en tussen de coulissen van een grote show. Tussen alle bizarre ontwikkelingen door slaagt hij er ook nog in enkele harde noten te kraken over het wezen van de creativiteit.
Plaats van handeling van het door de regisseur zelf bedachte verhaal is Greenwich Village, de artiestenwijk van New York, in de jaren twintig. De toneelschrijver David Shayne (John Cusack), die aan lager wal geraakt is maar zichzelf een artistiek genie acht, krijgt van producent Julian Marx (Jack Warden) de kans zijn nieuwste stuk op Broadway te regisseren. Voor de financiering gaat Marx in zee met de gangster Nick Valenti (Joe Viterelli), die iedereen die hem dwarsboomt laat liquideren. Valenti wil wel wat flappen lappen, mits zijn ambitieuze vriendin een rolletje krijgt. En zo geschiedt. Tot verbijstering van Shayne is het dansmeisje Olive Neal (Jennifer Tilly) een oerdom wicht met het stemgeluid van een krassende kraai.
Zijn high brow-stuk wordt verder om zeep geholpen door de andere acteurs. Ieder op hun eigen manier zetten ze zijn creatie naar hun hand. De ras-intrigante Helen Sinclair (Dianne Wiest) doet dat heel geraffineerd. Ze is een drankzuchtige, voormalige ster die snakt naar een come-back. De vreetzieke en ijdele Purcell (Jim Broadbent) en de volstrekt neurotische Eden Brent (Tracey Ullman) hanteren de botte bijl.
Niets blijft er over van Shayne's kunstzinnige pretenties. Woody Allen voltrekt dit doodvonnis van een kunstenaar met satanisch genoegen. Via de muziek en decors zorgt hij voor een dik aangezette en zogenaamd opgewekte jaren-twintig- sfeer. Alle acteurs krijgen van hem de kans (vooral Wiest en Tilly benutten die meesterlijk) hun acteurs-type lekker vet neer te zetten. Steeds brengt hij de artistieke Shayne in contact met de ongeletterdheid van de gangster en laat hij de geldschieter van het toneelstuk mensen liquideren. In een scène waarvan je niet weet of je er nu om moet lachen of huilen, laat Allen zelfs een artistiek bewogen gangster de minst getalenteerde acteur koud maken. 'Kunstenaartje verbeeld je maar niets', is zijn motto.
Allen zou Allen niet zijn als hij dit thema niet ook op een bloedserieuze manier uitwerkte. Hoe hij dat doet, kan hier - om de verrassing voor de toeschouwer te bewaren - slechts aangestipt worden.
In de loop van de film schuift hij heel geraffineerd iemand (let op Chazz Palminteri!) naar voren, die Shayne genadeloos inpepert dat hij dan wel belezen is, gestudeerd heeft en zich in geleerde taal uit kan drukken, maar daarmee nog geen kunstenaar is. Als je daarentegen uit de goot komt, nooit iets leest en de taal van de straat spreekt, zo luidt de boodschap, zou je wel eens heel wat meer van het leven en het theater kunnen begrijpen. Zo rekent Allen in zijn film af met het narcistische kunstwereldje en toont hij dat creativiteit niet meer en minder dan een gave is, een roos die op de onverwachtste plekken kan ontluiken.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.