*

 
dossier

Archief

Epicurus heeft de wereld veroverd

PAUL CLITEUR − 07/01/97, 00:00

Bij het aanbreken van het nieuwe jaar mijmer ik nog even door over de kersttoespraak van de koningin. Een mooie toespraak. Bewonderenswaardig om iets te kunnen zeggen waarin zestien miljoen mensen althans iets herkennen. Het zou mij nog niet lukken een goedgevulde huiskamer tot instemming te bewegen. Deze prestatie is nog indrukwekkender wanneer men bedenkt dat tegenwoordig geen enkele consensus meer bestaat over levensbeschouwelijke zaken. Wat bindt ons nog? Is er niet sprake van een enorme versplintering, vergeleken waarbij de reformatie een binnenhuisbrandje was?

De koningin benadert dit probleem heel verstandig door alle godsdiensten even te noemen en vervolgens te vertellen dat zij ons allemaal kunnen helpen bij het verwerken van rouw. Het hindoeïsme, christendom, boeddhisme - hoe verschillend ook, zij geven allemaal steun bij het verlies van een dierbare.

Het is verleidelijk om dat toe te geven. Maar of het verantwoord is, is de vraag. Wat de meeste mensen in hun gedrag tot uitdrukking brengen is iets heel anders dan het geijkte rijtje van godsdienstige inspiratie waarvan de koningin vermoedt dat deze steun geven.

Wat tegenwoordig echt maatgevend is, is het perspectief van de Atheense filosoof Epicurus (341-270). Want hoewel zijn naam maar vaag bekend is en de meeste mensen het epicurisme zullen associëren met platte 'genotzucht' (waar ieder zich, althans in woorden, hoog boven verheven acht), is het toch Epicurus die het perspectief heeft verwoord waarnaar de meeste mensen handelen.

Zijn school stond bekend als 'de tuin'. De benaming verwees naar de plaats waar men filosofeerde. Epicurus was zeer vriendelijk, hij leidde een leven van zelfbeheersing en hij cultiveerde vriendschap als grote deugd.

Hij verwoordde een levensbeschouwelijk perspectief dat voor het religieus afgestemd gemoed altijd een gruwel is geweest: het idee dat mensen hier op aarde hun geluk moeten vinden, want elke andere oriëntatie is slechts misleidend of roept onheil over ons af. Epicurus geloofde niet in enige goddelijke bemoeienis met de wereld of een leven aan gene zijde van dit bestaan, en hij probeerde de gedachte daaraan iedereen uit het hoofd te praten. Hij was wel zo voorzichtig om niet het bestaan van de goden te ontkennen. Hij leerde iets veel subtielers: zij zouden zich niet met ons bemoeien, want daar zijn goden te goddelijk voor.

Hij oriënteerde zich op het geluk in déze wereld. Dat is overigens geen pleidooi voor plat genot. “Elk genot is goed in zichzelf, maar niet elk genot is ook verkieslijk”, zei de filosfoof. We zouden goed moeten onderscheiden welke genietingen slechts kortstondig en welke duurzaam geluk geven.

Duurzaam geluk zou in ieder geval niet zijn te bereiken door ons in te laten met het idee van een wereld achter deze wereld. Twee dingen maken de mens onrustig en verstoren zijn mentale evenwicht. Allereerst de angst voor de goden. Deze angst werd door Epicurus op de genoemde manier binnen de perken gehouden. Maar als tweede was er de angst voor de dood. De dood is echter dood. Dat wil zeggen: het is niets. Als we leven hebben we ervaringen, wanneer we dood zijn is er niets. En waar niets is, is ook geen reden voor angst.

Een groot deel van de Nederlandse bevolking kijkt eigenlijk zó tegen het leven aan. In reclames, in 'glossy magazines', in de levenswijsheid van de sigarenman op de hoek (“als je maar gezond bent, daar gaat het toch om?”) - de Atheense filosoof schalt je tegemoet. Niet Boeddha, niet Jezus, niet Mohammed, maar Epicurus heeft de wereld veroverd.

mailIcon print |