*

 
dossier

Archief

Het is de grote-stadsintellectueel die denkt dat de natuur niet vijandig is

THEO DE BOER − 29/01/97, 00:00

Theo de Boer is hoogleraar filosofie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.

Ik herinner me nog uit de tijd dat we samen lid van dezelfde faculteit waren, nu ongeveer 25 jaar geleden, dat de leerstoel natuurfilosofie werd afgeschaft en veranderd in: filosofie van de natuurwetenschappen. De natuurwetenschap was immers de enige instantie die iets zinnigs over de natuur kon zeggen.

Nu, over één ding zijn Van der Wal en ik het eens: de wereld valt niet samen met het zogenaamde 'wetenschappelijk wereldbeeld'. Ook zoeken we beiden naar een filosofie van de natuur die een tegenwicht kan bieden tegen de milieuvernietiging. Maar ik weet niet of wat filosofen denken hier veel uithaalt.

Van der Wal wijst er terecht op dat ik het wetenschappelijk wereldbeeld en het beeld van de dagelijkse en dichterlijke ervaring naast elkaar zet zonder in te gaan op hun onderlinge relatie. Het ging er mij in eerste instantie om het probleem scherp te stellen. Ik ben net als hij van mening dat er een overkoepelende visie nodig is. Volgens mij is niet de visie van de wetenschap maar die van Nescio de fundamentele (wat nog niet wil zeggen dat ze een natuurlijke, preculturele is). Dat aan te tonen vergt echter nog een tamelijk ingewikkelde argumentatie waarop ik niet ben ingegaan.

Onder filosofen en beoefenaren van natuurwetenschap bestaat hierover zeker geen eensgezindheid. Van der Wal en ik vertegenwoordigen hier een minderheid. Misschien wil iemand uit de hoek van de wetenschapsfilosofie over deze kwestie nog eens zijn licht laten schijnen. Hoe belangrijk is nu dat wetenschappelijk wereldbeeld voor onze verhouding tot de natuur?

Van der Wal laat zich voorzichtig uit als hij zegt dat het een belangrijke component is van het denkkader waarin de natuur gezien wordt als het andere en vreemde dat bedwongen moet worden en uit zichzelf geen waarde heeft maar alleen een inventaris van hulpbronnen voor de mens is. Ik betwijfel of dat zo is. Van der Wal onderschrijft niet zonder meer de these die door de filosofen van de Frankfurter Schule verdedigd werd, dat de natuurwetenschap zich laat leiden door een technisch kennisbelang en de natuur ziet als object van beheersing.

Zijn betoog gaat wel in die richting. Hij zegt bijvoorbeeld dat de dynamiek van de op beheersing gerichte 'wetenschappelijke natuurconceptie' beteugeld moet worden en dat wanneer wetenschap en techniek hun gang gaan alles wordt volgezet met asfalt en beton. Hier denk ik anders over. In de eerste plaats is beheersing niet het primaire motief van de wetenschap als zodanig maar van de toepassing. Voorts kunnen wetenschap en techniek wel gebruikt worden voor onderwerping van de natuur maar zit het eigenlijk euvel ergens anders: in de menselijke mateloosheid. Hoe roepen we die een halt toe? Op dit punt gaan de wegen van Van der Wal en mij uit elkaar.

De geschiedenis leert dat de mens de wetenschap niet nodig heeft om de natuur te vernietigen.

Grote verwoestingen zijn al in de prehistorie aan gericht. Ik heb vroeger ook geloofd dat de vroegste mens in harmonie met de natuur leefde, maar de idee is niet houdbaar. In de mythen komen we wel die gedachte tegen maar als iets uit een oerverleden dat onherroeplijk voorbij is. De mens zoals wij die kennen, heeft om zich te handhaven altijd al moeten ingrijpen in de natuur, alleen de middelen waren veel zwakker.

Willen we in de natuurfilosofie een tegenwicht bieden tegen op uitbuiting gerichte natuurconcepties, dan moeten we, vind ik, daarvoor een basis zoeken in onze verbondenheid met de natuur, maar dan wel in een echte ervaring daarvan en niet in een filosofische constructie.

Dat is, zoals ook Van der Wal weet, nog in het geheel geen gemakkelijke taak. We moeten om hier verder te komen, spitten in ons gevoel voor de natuur, geleid door de vraag: Waarop berust zij eigenlijk: onze liefde voor de natuur. We kunnen ons als filosofen daar bij laten helpen door de natuurpoëzie - bijvoorbeeld van Gezelle - waarin het contact met de natuur beter bewaard is dan in de gangbare wijsbegeerte. Ik kom eerlijk gezegd weinig verder met wat de huidige milieufilosofie te bieden heeft. Daar wordt als remedie verkondigd dat we de natuur moeten zien als iets wat waarde heeft in zich zelf (ook Van der Wal bedient zich van die terminologie).

Hier wordt niet geluisterd naar de ervaring - wat de eigenlijke filosofische taak is - maar een filosofeem, een gedachteconstructie aangeboden. De gangbare subjectivistische positie wordt eenvoudig omgekeerd. Gold tot voor kort de mens als doel in zichzelf, nu geldt dat voor de kosmos. De redenering zegt niets over onze werkelijke beleving van de natuur.

We kunnen mijns inziens onze verbondenheid met de natuur geen recht doen als we geen plaats inruimen voor de reële angst voor de natuur. Een milieufilosofie die daaraan voorbijgaat is geen lang leven beschoren.

Het is hier net andersom als Van der Wal zegt. Het is de grote-stadsintellectueel die het idee heeft dat de natuur niet vijandig is. Omdat ik een dorpsjongen ben, heb ik nog weet van de dreiging van de natuur.

Ik ben geboren in Zuid-Beijerland en woonde op de slaperdijk. Ik kan me nog herinneren hoe ik met twee vriendjes achter drie grote mannen tegen de storm optornde om op de Hitserse kade ( 'De Kaai') de wakerdijk te bereiken. Daar zag je rechts het eiland Tiengemeten en links ervan in de richting van Willemstad een eindeloze, onstuimige watervlakte.

Niet voor niets noemden de dorpelingen het Haringvliet het 'Vuile gat'. Het water kwam zo hoog dat het al over de dijk heenliep. De bewoners waren ijverig bezig die aan de binnenkant met zandzakken te versterken. Een beeld dat me bij zal blijven. Het is dus wel degelijk relevant dat Nescio op een dijk liep. Rondzwalkend op een ijsschots zou hij heel wat anders geschreven hebben. Toch was ik in mijn herinnering niet echt bang. Een kind denkt dat de grote mensen het wel goed geregeld hebben met die dijken. Een aantal jaren later bleek het een illusie.

In de tweede sectie van mijn boek Langs de gewesten van het zijn probeer ik te betogen dat de solidariteit met de natuur berust op een strijd die ook in de natuur zelf gevoerd wordt: orde tegen chaos, de ektropie tegen de entropie. We voelen ons verbonden met de kwetsbare natuur die in de loop van de evolutie ontstaan is, omdat we die strijd ook zelf te voeren hebben, zowel persoonlijk als maatschappelijk. Dit besef van de gedeelde fragiliteit moet ingezet worden in de strijd voor het milieubehoud. Dat is volgens mij een reële basis voor de positieve relatie tot de natuur die mijn tegenspreker bij mij tevergeefs zoekt.

Wat bedoelt Van der Wal nu eigenlijk als hij zegt dat we deel uitmaken van het universum als een bezield verband? Dat is mij veel te ongenuanceerd gesproken. Hij maakt het zich als filosoof die de verschijnselen recht moet doen te gemakkelijk. Hij ziet de minder lieflijke trekken van de natuur wel, maar hij schrijft dat de mensen 'diezelfde schrikwekkende natuur ook steeds tegelijk als bron van levenskracht en welzijn ervaren. In het hindoeïsme is Shiva tegelijk de huiveringwekkende god die door zijn dans de ondergang van de wereld bewerkt en degene die oorsprong van nieuw leven is'.

Het probleem in deze uitspraak zit voor mij in de woorden 'diezelfde' en 'tegelijk'. Daardoor wordt geen recht gedaan aan de dubbelzinnigheid van de natuur. De zwoegers met zandzakken hebben dat beter begrepen. Zij proberen Shiva de weg te versperren. Zij putten geen troost uit het feit dat zij verdrinkend weer in de armen van de grote vernietigster geworpen worden. Een dergelijke liefde voor de natuur veronderstelt dat er een doodsdrift is en dat we daar aan toe moeten kunnen geven.

Het eerste is waar, het tweede stellig niet. Die strijd tegen het 'buitenste buiten', het tohoewabohoe, herken ik ook in Genesis 1. 'Er zij licht!' Dat betekent dat de Leviathan, Behemoth, Shiva en Ahriman opzijgeschoven worden. Er moet ruimte gemaakt worden voor een bewoonbare wereld.

mailIcon print |