*

 
dossier

Archief

WAT MIJ NAAR GEORGIE VOERDE

J. VAN OORT − 07/10/95, 00:00

Hij wilde er meer te weten te komen over oorsprong en eerste ontwikkeling van het oudste christendom, speuren naar mogelijke overblijfselen van het manicheïsme, en hij hield enkele voordrachten in het Land van het Gulden Vlies. De kerkhistoricus J. van Oort reisde naar Tbilisi en naar de oude koningsstad Mtskheta in het hart van Georgië. J. van Oort doceert kerk- en dogmengeschiedenis aan de Faculteit Godgeleerdheid van de Universiteit Utrecht en is tevens gasthoogleraar van de British Academy in Engeland.

De meeste indruk maakte de collectie manuscripten bewaard in Tbilisi's Academie van wetenschappen. Niet elke dag krijgt men gelegenheid te bladeren in meer dan duizend jaar oude handschriften op papyrus en perkament. De jongere manuscripten (vanaf ca. 1000) zijn vrijwel alle voorzien van miniaturen op een achtergrond van bladgoud en zijn gebonden in met edelstenen bezette banden. Hier verkreeg ik ook een recent in Mtskheta opgegraven Hebreeuws amulet, met het vriendelijke verzoek voor deze unieke en nog onuitgegeven tekst met tover- en bezweringsformules in 'het Westen' aandacht te vragen.

Allereerst hoopte ik in de Georgië's hoofdstad meer te weten te komen over oorsprong en eerste ontwikkeling van het oudste christendom daar. Dat begin leek mij, net als de aanvang van de christelijke kerk in Romeins Afrika met haar hoofdstad Carthago, vooral gelegen in de joodse synagoge. Een tweede reden om Tbilisi en naaste omgeving te bezoeken was het speuren naar mogelijke overblijfselen van het manicheïsme. De vrij onlangs in Egypte ontdekte Keulse Mani-Codex lijkt, evenals enkele manichese fragmenten uit Turfan, te duiden op een zeer vroege missionaire activiteit in Georgië. Wellicht dat dergelijke aanwijzingen ter plaatse bevestigd konden worden.

Wie kennis wil maken met een land of volk doet er wijs aan te speuren naar een oorsprong. Nergens is het water zo helder als vlak bij de bron. Die ligt voor het huidige Georgië, een staat met een bevolking die zich ondanks jarenlange atheïstische propaganda in meerderheid als christelijk beschouwt (inclusief president Edouard Sjevardnadze: hij liet zich vrij recent dopen in de Georgische kerk), speciaal in het begin van de vierde eeuw. Toen werd het land officieel christelijk, kort na de kerstening van Armenië, de oudste christelijke staat ter wereld.

Vanwaar en hoe het christendom Georgië bereikt heeft, blijft een boeiende kwestie. Vrome legenden vertellen allereerst over de tunica, de lijfrok van Jezus. Rond het begin van onze jaartelling woonden in de toenmalige hoofdstad Mtskheta veel joden. Jeruzalems hogepriester Anna(s) zou naar hen boden hebben gestuurd met de vraag wat te denken van Jezus. Twee joden gingen, kwamen nog juist op tijd om de kruisiging mee te maken, en bij de verloting van Jezus' tunica werd deze door hen verkregen. Aldus kwam de lijfrok naar Mtskheta en was daar tot de Arabische invasie. Het feest van de heilige tunica wordt nog steeds gevierd op 1 oktober.

Een andere legende vertelt van Georgië's kerstening door de apostel Andreas. Juist ook in dit geval staat het verhaal bol van onmogelijkheden. Kritische beschouwing leert slechts, dat men zo vanaf de achtste eeuw probeerde de onafhankelijkheid van Georgië's nationale kerk te bewijzen. Ook de beroemde overlevering betreffende de slavin Nino, de vrouwelijke apostel die rond 330 de koning van Mtskheta tot het christelijk geloof bekeerde, bevat veel onwaarschijnlijks. Er zijn evenwel verschillende versies van dit verhaal en het komt ook al voor bij een Westers kerkhistoricus als Rufinus (ca. 400).

Georgië, in ieder geval het oostelijke deel van het land dat oorspronkelijk Kartli heette, ontving haar christendom in een speciale archaïsche, evenwel zeer authentieke - en wellicht moderne mensen nieuw aansprekende - vorm. Stond in Romeins Afrika de wieg van de kerk in de synagoge, zo blijken nu ook in Georgië de eerste verkondigers joden te zijn geweest. Al dan niet direkt uit Jeruzalem afkomstig, sprekend in de taal van de Man van Nazareth zelf, gaven zij hun Messiasbelijdenis een eigen joodse expressie. Joods Aramees christendom (en niet: Grieks Byzantijns heidenchristendom) werd de oudste grondslag van Georgië's kerk.

Waarin heeft dan die eigen vorm van een joods christendom bestaan? De Aramese joodse christenen spraken bijvoorbeeld niet in Griekse begrippen over Jezus, maar in joodse categorieën. Jezus was voor hen allereerst de beloofde Profeet, de Ebed (dienstknecht), zelfs de Naam (Hasjem) en de Engel des Heren.

Op vrijmoedige en ongecompliceerde wijze spraken zij bijvoorbeeld ook over de Heilige Geest als Vrouwe. Een dergelijke authentieke vorm van christendom heeft zich in de eerste eeuwen vanuit Jeruzalem, Palestina en het Oostjordaanland vooral verspreid naar het noorden en oosten toe: Edessa (het huidige Urfa in Zuid-Turkije), Armenië, Mesopotamië, Perzië, zelfs tot in China. In deze streken ontstond een kerk met centra als Edessa, Nisibis en Seleucia. Vooral in de Nestoriaanse kerk bleef eeuwenlang - in haar theologie maar ook in haar liturgie en kunst - veel van dit oorspronkelijke joods-christelijke erfgoed bewaard.

Dat ook in Georgië joods christendom de oudste vorm van christendom was, werd mij nu meer dan ooit duidelijk. Allereerst valt op, dat bepaalde gegevens in de oude legenden telkens verwijzen naar joods milieu. Dat lijkt meer dan toevallig. Zo wordt van Nino (een joodse slavin) verteld dat zij, voordat ze in Mtskheta arriveerde, een maand doorbracht in de joodse gemeenschap van Urbnisi in Zuid-Georgië. Pas daarna kwam ze naar de hoofdstad, en ook hier had ze nauw contact met de plaatselijke (kennelijk grote en invloedrijke) joodse gemeenschap. Vele joden in Kartli's hoofdstad, aldus de legende, erkenden Jezus als de beloofde Messias. Eerst nadien meldt het verhaal de bekering van koning Mirian.

Maar vooral ook ander materiaal lijkt sinds kort overtuigend te duiden op joods christendom als eerste bron van Georgië's kerk. Zowel in Mtskheta als in West-Georgië worden opgravingen verricht die op oorspronkelijk joodse begraafplaatsen symbolen als vis (ichthus), anker en pauw te voorschijn brengen. De onderzoekers die ik erover sprak, interpreteren deze symbolen als christelijke voorstellingen. Ze wijzen er bovendien op, dat deze overblijfselen aanmerkelijk ouder zijn dan wat men tot nu toe wist. Al vanaf de tweede eeuw waren er christenen in Georgië. Sporen van joodse gemeenschappen gaan zelfs terug tot ver voor onze jaartelling. Hun diaspora begon zeer waarschijnlijk sinds de veroveringen van Jeruzalem door Nebukadnezar.

Speciaal aan dit laatste moest ik denken tijdens een bezoek aan een van de synagogen in Tbilisi, een Georgische. Tot de meer omvangrijke minderheden in het land behoort ook vandaag de joodse. Haar belangrijkste vergaderplaatsen waren en zijn in West-Georgië en in Tbilisi. In deze stad was ook, totdat het in 1930 door de bolsjewieken gesloten werd, een Joods Museum. Al eerder had ik een korte ontmoeting met prof. Givi Gambashidze, verbonden aan de Academie van wetenschappen en president van de 'Association of Georgian-Jewish relations'.

Ook in de synagoge werd gemeld dat men zich als jood voluit Georgiër weet en nadruk legt op goede relaties. Nogal wat families die sinds de perestrojka naar Israël trokken, komen nu terug. En waarom ook niet, zegt de chazzan: ook hier wordt Tenach gelezen in het Hebreeuws, gepreekt en gezongen in het Ivriet. Trouwens, steeds meer mensen willen Ivriet leren. Gambashidze was verbaasd toen bleek, dat ook een niet-jood Hebreeuwse teksten op de muur en in het aangereikte Profetenboek kon lezen. Of ik soms ook de naam kende van een instrument waarop hier werd geblazen? Precies een week voor Grote Verzoendag haalde hij vervolgens uit een la zijn sjofar te voorschijn en blies krachtig op de ramshoorn.

Dat de chazzan voor de Eeuwige blies, was duidelijk, niets kon hij evenwel vertellen over Messiasbelijdende joden in zijn synagoge. Toch zijn die er in ieder geval onder de Armeense joden in Tbilisi. De relatieve onbekendheid van de ene synagoge met de andere toont, hoe ook vandaag een joodse bevolkingsgroep veelkleurig kan zijn.

Voorlopig vervuld werd mijn verwachting nieuwe gegevens te vinden over een geheel andere, maar oorspronkelijk eveneens joods-christelijke groepering. Die ging evenwel al vroeg een eigen weg: de gnostische wereldreligie van het manicheïsme, door Mani (oorspronkelijk joods christen) in de derde eeuw ingeluid vanuit Babylon en - aldus nu vooral de Keulse Mani-Codex - allereerst verkondigd in synagoogai verspreid over het Perzische rijk, bereikte vrijwel zeker al zeer vroeg Georgië.

Delen van het land behoorden toen tot het Perzische imperium of waren vazalstaat. Manichese fragmenten gevonden te Turfan melden de bekering van een zekere Hbz', Sjah van Warutsan. In de Grote Inscriptie van Sjapur I wordt deze naam Warutsan of Wyrs(j)an in het Grieks weergegeven met Iberia, in de Oudheid de naam van Oost-Georgië met als hoofdstad Mtskheta. Dáár is dan Mani zelf of een van zijn eerste apostelen geweest. Zeker kwamen zij ook al zeer vroeg tot in de noordelijke delen van Armenië.

Bij nadere overweging menen Georgische collega's in hun oudste historische teksten diverse gegevens te zien die duiden op een zelfs sterke manichese presentie in zowel Georgië als Armenië. Hier zouden manichees-gnostische bisschoppen tot in de vijfde eeuw hebben gewerkt. Rond 350-400 leefden manichese 'uitverkorenen' in grotten in West-Armenië, nu Turkije.

Georgië's roem is voor velen bovenal haar unieke handschriftelijke cultuur. Al vroeg waren Georgische geleerden werkzaam in kloosters nabij Antiochië, op de Olympus in Bithynië, in Palestina, bij de Sinaï, op de Athos. Hier en in befaamde centra in eigen land vertaalden (en bewerkten) ze bijbelhandschriften, teksten van kerkvaders, liturgische en historische werken, geschriften uit de Griekse filosofie. Groots en nog altijd hoogst waardevol werd zo hun bijdrage aan de wereldliteratuur. Heel wat passages en zelfs complete boeken zijn alleen in hun taal bewaard.

Het 'Kekelidze Institute of Manuscripts' in Tbilisi herbergt de grootste collectie van deze manuscripten. Een topstuk naar inhoud en ouderdom is een palimpsest. Op het fijne perkament schreef men ooit (in Palestina?, vijfde eeuw) het Nieuwe Testament. Die tekst - nog vrij duidelijk te ontwaren - werd afgekrabd en vervangen door een commentaar van Johannes Guldenmond op Mattheus. Er zijn zo'n 4000 van dergelijke Georgische palimpsesten; Chrysostomus' uitleg met onbekende lezingen is nog steeds onuitgegeven.

Een ander manuscript (perkament, majuskels, boekband met goud en edelstenen, Zuid-Georgië) dateert uit 936 en werd in 940 geïllumineerd. Het bevat het gehele Nieuwe Testament, met eigen waardevolle lezingen. Geschreven in Georgische minuskels op de Zwarte Berg bij Antiochië in de elfde eeuw is een Evangelieboek, totaal 324 perkamenten bladzijden. Wat behalve de illuminatie in dit werk vooral treft, is de legende van Abgar aan het slot: 8 dubbele pagina's, schitterend geïllumineerd. Meest rijk versierd (ca. 300 afbeeldingen, uit Georgië's Gouden Eeuw) is wel het Evangelieboek afkomstig uit Gelati. Hier zag ik ook de Hebreeuwse Torah met commentaar uit de tiende eeuw, gevonden bij Lajlasj in Westgeorgië. De doos met losse perkamenten heeft een eigen geschiedenis, fascinerend als het land zelf.

mailIcon print |