*

 
dossier

Archief

EN DE REST IS DANS

Door: redactie − 20/01/96, 00:00

“Levinas is zo populair omdat men de scherpe kanten van zijn ethiek verzwijgt. Die ethiek is shockerend. Levinas plaatst je in een nachtmerrie: ik sta in mijn eentje in het midden van het stadion van de ethiek. De tribune zit vol met 'de Ander'. Er is niets dat aan zijn blik ontsnapt, geen plek waar ik me aan de Ander kan onttrekken, niets is privé.”

Aldus Rudi Visker, onderzoeksmedewerker aan het Instituut voor Wijsbegeerte in Leuven. “Zodra de Ander een appèl op me doet, voel ik dat als een bevel. De blik van de Ander blijft me achtervolgen. Ik kan mijn ogen sluiten, maar de ander blijft me zien. Ik kan indommelen, maar dat is een tekort aan waken. Als ik het appèl van de Ander niet onvoorwaardelijk beantwoord, zou dat betekenen dat ik mijn ware zelf ontken, dat ik ten prooi val aan het kwaad. Want alleen de keuze voor de Ander maakt mij tot een moreel wezen. Het stadion is mijn geweten, dat mij gevangen houdt: ontsnappen is uitgesloten. Dus de ander heeft alle rechten en ik heb er geen. En ik besef dat ik iedere plek die ik inneem, aan de Ander ontneem. Dit is ethisch totalitarisme, dit is verschrikkelijk.”

Toch heeft Visker ook 'extreme bewondering' voor de strenge coherentie van Levinas' werk. “Zijn ethiek berust op het idee dat er iets buiten ons moet zijn waar we afhankelijk van zijn. Met dit principe bestreed hij de totalitaire staat. Uit Athene en Rome komt de gedachte dat iedereen recht heeft op gelijke behandeling. Maar gelijkheid voor de wet is nog geen garantie voor gerechtigheid. Het behoedt ons niet voor de totalitaire staat. Er is iets van buiten het systeem nodig, waar we op moeten kunnen rekenen als de wet te kort schiet - en dat doet ze altijd. Om met Levinas te spreken: er zijn tranen die de staatsfunctionaris niet ziet. Men kan iemand rechtvaardig ter dood veroordelen, maar men kan niet organiseren dat we met die persoon medelijden hebben. Medelijden is nodig - dat is de erfenis van Jeruzalem. Joods is het inzicht dat ik mij niet op de wet kan beroepen om mijn verantwoordelijkheid te ontlopen. Dat er nog een punt buiten de wet is, dat er niet mee samenvalt, is ook de basis van de mensenrechten. Je kunt er een beroep op doen buiten de wetten van de staat om.”

“Maar de prijs die men voor die aantrekkelijke kant van zijn filosofie moet betalen is enorm. En ook dat heeft men vaak verzwegen. 'Europa is Griekenland en de Bijbel, de rest is dans,' schrijft Levinas, daarmee suggererend dat er buiten Europa niets te leren valt. Toen hem in een interview werd gevraagd om verduidelijking, legde hij uit wat hij met dans bedoelde: 'Dat wat de negers in Afrika doen als ze rouwen'. Levinas is een eurocentrist, alle andere culturen dan de westerse doet hij af met 'dans', het lot van de wereld hangt alleen van de Europese erfenis af. Dat vindt men vandaag achterhaald. Toch hebben we aan dit eurocentrisme van Levinas zijn kritiek op het racisme te danken.”

Levinas was geen racist. Iemand reduceren tot zijn huidskleur of cultuur, staat voor hem gelijk aan het ontkennen van zijn mens-zijn. Achter de huidskleur en het culturele masker schuilt het gelaat, en alleen dat is wezenlijk. Visker: “Maar hierin schuilt ook mijn probleem met de filosofie van Levinas. Zijn ethiek is ongevoelig voor de echte misère van de ander: dat je gehecht bent aan iets - aan je huidskleur, naam en afkomst, en dat dit belangrijk voor je is zonder dat je precies weet waarom. Je bindingen bepalen je eigenheid, zonder dat je duidelijk kunt maken wat de preciese betekenis van zo'n binding is.”

“Als men mijn naam verkeerd uitspreekt, voel ik mij verplicht in te grijpen. Aan mijn geboorteland kleven allerlei emoties en betekenissen. Ik ken die maar gedeeltelijk, en juist dat andere gedeelte laat mij niet gerust. Uit nostalgie keer ik terug naar mijn geboortehuis en de plaats waar ik verliefd werd, omdat er iets is waar ik geen greep op krijg. Ik ben onverwisselbaar met anderen door dat wat ik niet heb kunnen verwerken. Ik ben getekend zonder dat ik die tekening kan zien.”

“Als je met iemand discussieert over waarden, blijkt na het uitwisselen van alle argumenten dat je elkaar niet hebt kunnen overtuigen. Uiteindelijk kun je beiden alleen nog maar zeggen: 'En toch vind ik het nu eenmaal zo'. De waarden hebben mij. Dat is bedreigend en daarom wil ik dat zij gerespecteerd worden. Iemand die zegt dat hij mij accepteert ondanks mijn naam, huidskleur, waarden en overige eigenschappen, erkent mij niet echt.”

Levinas is een dualist; hij maakt het te simpel: “Het is óf het ik óf de Ander, maar de werkelijkheid is veel onrustbarender: ook in mijzelf schuilt het andere. Ik heb tot dat andere geen directe toegang, maar ik kan ook niet doen of het er niet is. Het andere in mijzelf is raadselachtig en kan bedreigend zijn. Het is een anonieme kracht, een 'het', dat mij dreigt te overspoelen. De anorexia-patiënt wordt geterroriseerd door een 'het', dat ze niet begrijpt. 'Het' geniet, terwijl zij lijdt.”

“In zijn vroege werk had Levinas hier nog oog voor. Daarin beschrijft hij slapeloosheid als een toestand waarin we door iets anders-dan-ik worden beheerst: 'het waakt'. In zijn latere werk wordt hij steeds radicaler: er is dan niets meer dan een op zichzelf betrokken, genietend ik, en de Ander, die dat genieten ontmaskert als egoïsme - als een zelfbetrokkenheid die ik zou kunnen opgeven.”

Levinas erkent dat het ik afhankelijk is van iets buiten hemzelf: het Andere verwijst naar God. Visker stelt daartegenover het idee van de ander in mijzelf. Dat heeft onverwachte gevolgen. “Ik noem Levinas ethisch totalitair omdat hij het ik totaal aan de Ander uitlevert, maar tegelijkertijd vind ik Levinas niet ethisch genoeg. Hij scoort gemakkelijk met zijn deerniswekkende voorbeelden van de Ander, die hongerig is, die dorst heeft, die met een uitgestoken hand in de goot ligt. Zo verkleint hij het veld van de ethiek te zeer: aan de ander, die in zijn bindingen wil worden erkend, loopt Levinas voorbij.”

“In feite versterkt Levinas onze morele apathie. Want hij verwacht van ons dat we evenveel verantwoordelijkheidsgevoel hebben als een heilige. Alles wat daarop afdingt is egoïsme. Maar gewone mensen kunnen die oneindige druk op hun geweten helemaal niet aan: om te beletten dat ze erdoor verpletterd worden, worden ze onverschillig. Pas wanneer verantwoordelijkheid eindig en herkenbaar wordt - als een enkel kind in Sarajevo onze hulp inroept - ontwaken wij even uit onze apathie. Vandaar de populariteit van inzamelacties op de televisie.

In reactie op het nazisme, dat de hechting van de mens aan zijn geboortegrond en ras heilig had verklaard, zag Levinas in de ontworteling de kuur voor de mensheid. “Maar daarin schoot hij door. Ontworteling en verworteling zijn in onze tijd juist een levensgroot probleem geworden. Beide wortelingen maken onzeker, bang, eenzaam. Het Vlaams blok speelt daar op in door te zeggen dat ze weten wat ons aan land en cultuur bindt. Maar de claim dat ze onze wortels kennen, is helemaal verkeerd.”

“Volgens Levinas is het de Ander, die onze egoïstische wortels doorhakt en ons verlost uit onze natuurlijke staat van zijn, waarin we als een boom, alles om ons heen wegdrukkend, aarde, lucht en zon opzuigen. De Ander maakt mij vrij, omdat hij mij in staat stelt te kiezen voor hem. Dank zij de Ander kan ik uit mijn beperkte zelfgenoegzaamheid breken. Zo brengt Levinas iedere vorm van verworteling in discrediet. Ik denk dat hij daarbij misleid wordt door een verkeerde oppositie tussen verworteling-natuur, egoïsme, en ontworteling-ethiek. Er is nog een ander soort verworteling, die van de hechting die ik ondanks mijzelf heb, en waarvan de betekenis mij ontsnapt. Ik vraag mij wel eens af waarom Levinas juist bij katholieken zo populair kon worden. Hij verweet het christendom namelijk de heidense wortels niet genoeg te hebben doorgehakt door de sacramenten in ere te houden. Met Levinas hebben de katholieken een Trojaans paard binnengehaald.”

mailIcon print |