*

 
dossier

Archief

Een prachtige processietocht

ROBBERT ROOS − 18/04/97, 00:00

AMSTERDAM - Italianen zijn dol op pleinen. Of ze nu tussen krappe Venetiaanse straatjes liggen, voor de St. Pieter in het Vaticaan of op het dak van de Milanese Dom: een Italiaan laat niet snel de kans voor het maken van een fraaie 'piazza' liggen. Zo ook niet de Genuase architect Renzo Piano, die de nieuwbouw voor het 'Science & Technology Center New Metropolis' aangreep voor een schitterend plein op het hellende dak van het nieuwe wetenschapscentrum in het Amsterdamse Oosterdok.

Je moet er een duizeligmakende klim over een stenen spiltrap en een korte omzwerving langs pinakels, dakramen, torentjes en standbeelden van religieuze helden voor over hebben, maar dan sta je ook op één van de boeiendste pleinen van Milaan. Het is geen vlakke vloer. Door de dakvorm ligt de ruggengraat van het plein ietsjes hoger dan de zijkanten, maar dit stoort de beleving niet in het minst. Sterker nog: je kunt je tegen het licht hellende vlak draperen als tegen een glooiend grasveld, om op je gemak te genieten van de zon. En van het uitzicht over Milaan. En van het gewriemel op het plein voor de Dom, met aan de einder een fontein die opspuit als een echo van de kerkfaçade.

Geen fontein in Amsterdam. Ook geen gewriemel om van bovenaf te bestuderen, alleen een oneindige stroom auto's die de IJ-tunnel induikt. Maar wel het prachtige uitzicht over de historische binnenstad, omkaderd door de blokkerige hoogbouw van de bedrijven-buitenwijken. En er is het dakplein zelf. Niet met naar het midden licht opstaande dakplaten, zoals in Milaan, maar met brede 'treden' die als een lome trap naar beneden aflopen.

Het plein is te bereiken vanuit het gebouw, maar ook over een aquaduct-achtige loopbrug, die langs de rand van de autoweg ligt. Het plein is hierdoor zowel museum- als openbaar gebied. Goed gemaakte pleinen zijn schaars in Amsterdam. Het plein van Piano bovenop New Metropolis is daarom een zeer welkome verrijking van de stad.

Renzo Piano - architect van onder meer het Centre Pompidou in Parijs en de luchthaven Kansai in het Japanse Osaka - heeft het wetenschapscentrum (bouwkosten 77,5 miljoen gulden) als een autonome sculptuur op de kop van de IJ-tunnel midden in het Oosterdok gelegd. Het oogt als een iets gekromde scheepsromp, bekleed met geoxideerd koper. De groene kleur benadrukt de plastische vorm van het gebouw. De kleur is zelfs zo nadrukkelijk, dat het alles eromheen in de schaduw zet. Het maakt de 'scheepsromp' ook zo massief, dat ze een olifant lijkt, die met het achterwerk waggelt in de porseleinkast van het Oosterdok, dat onder meer het Scheepsvaartmuseum, het PTT-gebouw, een haven met historische binnenschepen en de replica van een zeventiende-eeuws schip herbergt.

Halverwege de bouw had het centrum nog een zilvergrijze metalen bekleding, die eigenlijk veel meer paste bij de wateromgeving van het Oosterdok, waarin het grijze Hollandse weer zo mooi kan spiegelen. De zilvergrijze huid verfijnde de prachtig gedetailleerde hoofdvorm van het gebouw, waar het groene koper haar - in ieder geval van ver af - tot een dicht blok reduceert.

De kleur is echter slechts een klein minpunt bij een gebouw dat in alle opzichten perfect gepositioneerd en gedimensioneerd is. Piano's opzet was niet om een anekdotische vorm, de scheepsromp, te maken, maar om te werken met de karakteristiek van de IJ-tunnel. In feite is New Metropolis de tegenvorm van de tunnelopening. Waar de weg de grond in duikt richt het centrum zich op.

De gebogen vorm van de tunnelmond is de 'scheepsboeg' - want de gelijkenis is natuurlijk niet te ontkennen - die zich nu zo fier boven het water verheft. De flauwe bocht die in het centrum zit, is dezelfde die de IJ-tunnel de richting naar Zaandam wijst. Stedebouwkundig heeft Renzo Piano in feite dus niets meer gedaan dan de al aanwezige routes, maten en infrastructurele gegevens volgen. De hoogte van het gebouw - iets meer dan dertig meter - past zich aan de omgevende bebouwing aan.

In het interieur, met een totaal oppervlak van 12 000 vierkante meter, zet Piano het thema van 'pleinen' voort. De entreehal is een plein, de expositiezaal onderin de boeg eveneens (bij beiden loopt de klinkerbestrating van buiten door naar binnen) en de expositievloeren lijken een soort tentoonstellingspleinen.

De benedenverdieping is met veel glas heel transparant gehouden, om de connectie met de buitewereld maar zoveel mogelijk te benadrukken. De drie verdiepingen erop - die van buiten met het groen geoxideerde koper zijn bekleed - zijn dichte tentoonstellingsdozen die volledig geregisseerd en bespeeld kunnen worden. Hier treedt het gebouw nadrukkelijk terug, waar het zich in het exterieur zo sterk manifesteert.

Prachtig is de opeenvolging van trappen die in de kern van het gebouw de verdiepingen ontsluiten. Het is in feite een grote lichtschacht, waarin de trappen een ritmische diagonaal vormen. Piano zelf omschrijft het als een 'processietocht'. Ze zijn als de stegen in het pittoreske Venetië, waar de pleinen de sublieme rustpunten in de hectische stad vormen.

mailIcon print |