AMSTERDAM - De Nederlandse pluimveehouderij moet blijven en op alle punten beter worden. Zo simpel is dat, en de sector en de minister van landbouw gaan dat de komende maanden even regelen. Maar hoe goed de partijen ook geluimd zijn, en hoe oprecht ook hun intenties, rond een aantal zaken zijn concessies onmogelijk en ligt de bal bij de consument.
Het wekt geen verbazing dat de pluimveehouders niet schrikken, zelfs wel blij zijn met de beperkende maatregelen van de minister van landbouw. Een substantieel deel van de explosieve groei van het aantal kippen en kalkoenen is immers niet door hun, maar door bijklussende boeren uit andere disciplines veroorzaakt. Dat heeft het kwaliteitsimago van de sector weinig goed gedaan.
Nu kan de Nederlandse pluimveehouderij wel een stootje hebben. Niet voor niets geeft minister H. Apotheker van landbouw haar zoveel respijt. Anders dan de melkveehouderij en de varkenshouderij is de pluimveesector niet gesubsidieerd. Desondanks is de sector concurrerend gebleven door aardig in te spelen op nieuwe wensen van de consument en door sterk te zijn in de export van pluimveeproducten.
Bovendien heeft de sector op eigen kracht Integrale ketenbeheersing (IKB) ingevoerd. Dit systeem wint ook in de andere vleessectoren terrein en maakt dat elk product in de winkelschappen is te herleiden tot de bron. Daardoor is de herkomst van ziekten goed te traceren en zijn epidemieën snel de kop in te drukken. Ook op andere gebieden heeft het IKB-systeem echter een confronterende uitwerking, zo blijkt. Want wie pluimveeproducten werkelijk tot de bron volgt, zal in veel gevallen uitkomen bij dat wat de consument, in elk geval verbaal, verafschuwt: legbatterijen met opeengepakte dieren, afgebrande snavels en een enorm mestoverschot.
Deze zaken dwingen tot keuzes die wellicht ingrijpender zijn dan men in al het heersende optimisme wel denkt. Meer nog dan het vermogen om te veranderen, telt bij deze herstructurering het vermogen tot het doen van concessies. Een aantal belangen is nu eenmaal conflicterend. Wie scharrelkippen houdt, en dus voor meer dierenwelzijn kiest, krijgt een relatief hogere uitstoot van fosfaat uit mest. Wie de kippen op stal houdt in een compleet gecontroleerd systeem als een legbatterij, en zo de fosfaat-uitstoot tot het minimum beperkt, tart het welzijn van de dieren. Een combinatie van factoren die én het milieu én het dierenwelzijn én de productiebehoefte optimaal in acht neemt, bestaat niet.
K. Boonen, voorzitter van de Nederlandse organisatie van pluimveehouders (NOP) en in die functie via LTO Nederland voorman van de pluimveehouders, heeft al vaak gewezen op dit conflict. Hoewel velen het op fundamentele punten niet met hem eens kunnen zijn, heeft hij bewezen niet bang te zijn om heilige huisjes omver te schoppen. Zo zei hij nog in maart van dit jaar niet uit te zijn op het behoud van 'gezinsbedrijven'. Boonen wil een gezonde markt en wie daarin niet overleeft, heeft pech gehad. De sector kan de overheid helpen met denken over oplossingen, maar de politiek moet uiteindelijk beslissen, zei hij destijds.
Hoewel Boonen een ban op de legbatterij nog niet haalbaar acht, en ook het afbranden van snavels niet zonder meer afwijst, rekent hij af met veel slachtofferschap in zijn sector. Een aantal 'sprookjes' gaat daardoor onderuit, en dat baant het pad naar verbeteringen. De verwijzing van Boonen naar de onverbiddelijke markt impliceert dat hij het behoud van de bedrijven niet als de eerste taak van de overheid beschouwt. Wel vindt hij dat de Nederlandse overheid ervoor moet zorgen dat Nederland niet te progressief wordt ten opzichte van andere Europese landen, want dan gaat de concurrentiepositie verloren.
Dat laatste is waar, mits onder één voorwaarde: dat de consument genoegen neemt met buitenlandse pluimveeproducten die weliswaar goedkoper zijn, maar vrijwel zeker onder belabberder omstandigheden geproduceerd. In dit opzicht is er geen verschil met de situatie van nu. De consument heeft immers al vele jaren de keuze tussen eieren uit de legbatterij en eieren van het land, tussen vlees van een mestkuiken en scharrelvlees. De keuzevrijheid van de altijd zo kritisch geachte consument vormt een contrast met het feit dat producten uit de intensieve pluimveehouderij nog gretig aftrek vinden. Een gulden meer voor een doosje scharreleieren, dat gaat nog. Maar guldens meer voor een onsje scharrelvlees, dat vindt de consument te gek worden.
Met zijn pleidooi voor marktwerking, daagt Boonen de consument uit om de consequenties te nemen van een progressieve pluimveehouderij. Overheid en pluimveehouders kunnen van alles doen om de sector mooier te maken, maar de consument geeft de doorslag. Alleen als die werkelijk kiest voor meer verantwoorde producten, staan de pluimveehouders voor het blok en kunnen ze bewijzen dat zij hun beloftes gestand doen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.