“Mijn beste Alan, hierbij wat aantekeningen die ik aan Peter Hall heb gestuurd, plus brief met nog wat ideeën achteraf. Ik dacht dat je die misschien wel zou willen hebben. Nu ik zo plezierig en, naar ik hoop, met zoveel profijt met jou heb gewerkt in Parijs en Londen, heb ik het gevoel dat mijn monster bij jou in veilige handen is.”
Dit schrijft Samuel Beckett aan Alan Schneider, de regisseur die vijf van zijn toneelstukken in de Verenigde Staten uitbracht. De brief is gedateerd op 14 december 1955, het is kort na hun eerste kennismaking en het monster is Becketts toneelstuk 'Wachten op Godot'. Het epistel vormt het begin van een uitgebreide correspondentie, die eindigt in maart 1984. Toen stak Alan Schneider de straat over om een brief aan Beckett op de bus te doen en werd doodgereden door een motor.
Een romanschrijver is almachtig in het universum van zijn werk. Hij geeft zijn geesteskind vorm in letters op papier. Tekens die precies in de volgorde staan die hij wenst en optimaal weergeven wat hij aan informatie wenst uit te zenden. Uiteraard ontvangt de lezer van zijn product deze boodschap op zijn eigen wijze. Ook lezen is immers een creatief proces en de lezer brengt zijn eigen wereld aan ervaringen en denkbeelden mee. Maar wat betreft het zenden van de boodschap is de schrijver van een roman almachtig.
Een schrijver van toneelstukken is afhankelijker. Hij levert informatie, die door anderen wordt verzonden. Voor het overbrengen van zijn boodschap is een fysieke ruimte nodig, die ruimte moet worden gestoffeerd en verlicht. Acteurs moeten zijn personages stem en vorm geven, daarbij geholpen door grime en kostumering. Al die verschillende componenten tot een coherente eenheid te smeden is de verantwoordelijkheid van een regisseur.
De positie van een toneelschrijver is niet die van een almachtig god, maar die van een architect, die voor de realisatie van zijn tekeningen afhankelijk is van bouwvakkers onder leiding van een aannemer. Bouwvakkers bovendien die niet werken met eenduidige materialen als steen, glas, hout en beton, maar het levend materiaal, dat per onderdeel een eigen leven leidt, een eigen inbreng heeft en zich per dag anders kan voegen.
Als alles goed gaat, kan die individuele inbreng een verrijking betekenen, maar het blijft een voortdurende bron van zorg. Hierover gaat de briefwisseling tussen Beckett en Schneider, tussen de architect en zijn aannemer.
Uit de briefwisseling komt een wederzijds respect naar voren tussen vaklieden uit verschillende, maar verwante disciplines. De stijl waarvan de respondenten zich bedienen, toont een wederzijds vertrouwen en een vriendschap die met de jaren sterker wordt. De details waarover zij van gedachten wisselen zijn zeer verhelderend, zowel voor de kenner, die eens te meer beseft hoezeer kunst ook ambacht is, als voor de onbevangen leek, die nu mogelijk inziet dat niets in een professioneel product vanzelf totstandkomt of toevallig is zoals het is.
De manier waarop een bepaalde regel bedoeld is, hoe die daarom moet klinken, de manier waarop de personages moeten worden gezien, hoe het toneel moet worden ingericht, alles komt aan de orde. Soms voegt Schneider een genummerde lijst vragen toe, die dan op nummer van een antwoord wordt voorzien, soms maakt Beckett aantekeningen bij een repetitie en geeft die punt voor punt door.
Groot is de vreugde als een voorstelling een succes blijkt, 'Gelukwensen aan allen!', maar hopeloos de machteloosheid van de schrijver als hij wordt geconfronteerd met een voorstelling die niet oplevert wat hij zich ervan had voorgesteld: “Beste Alan, bedankt voor je brief. Berlijn was verschrikkelijk en de 'Godot' in het Schiller middelmatig. De beroemde Minetti was volstrekt ongeloofwaardig als Pozzo en gaf de slechtste voorstelling van Pozzo die ik ooit heb gezien. Het was een opluchting weg te kunnen”, schrijft Beckett op 3 maart 1965. Schneider treft geen blaam, hij was niet de enige die de stukken van Beckett op de planken bracht.
De briefwisseling levert niet alleen een fraai inzicht in de werkwijze van de schrijver en de regisseur, maar geeft ook een schitterend beeld van zo'n dertig jaar theaterleven. De ongeveer vijfhonderd brieven zijn te vinden in de John J. Burns bibliotheek van Boston College. Alan Schneider had de brieven van Beckett bewaard en doorslagen gemaakt van de zijne. Hoewel de correspondentie hier en daar gaten vertoont, maakt het geheel een verrassend volledige indruk, zeker als we het drukke bestaan van Alan Schneider in aanmerking nemen.
De originele brieven bevatten ook privé-informatie, maar die is er in de uitgave van Maurice Harmon uitgelaten, in opdracht van de erven van Samuel Beckett. Er mochten uitsluitend brieven of delen van brieven die betrekking hebben op het werk van Beckett worden gepubliceerd. Aangezien het overgrote gedeelte van de correspondentie rechtstreeks te maken heeft met de voorstellingen van Becketts werk of betrekking heeft op het theater in algemene zin, is dit geen al te groot verlies.
Maurice Harmon, nu emeritus professor in de Anglo-Ierse literatuur en het toneel aan University College, Dublin, was verbonden aan Boston College toen hem werd gevraagd de briefwisseling te redigeren. Hij heeft zich op een bewonderenswaardige wijze van zijn taak gekweten. De brieven zijn van zinvolle aantekeningen voorzien en een zorgvuldige index maakt deze 'luchtpost dialoog' tussen twee theatergiganten bijzonder toegankelijk. En wie echt 'alles' wil weten wat er in de brieven staat, kan zich altijd nog melden bij de John J. Burns Library, waar de originelen zich bevinden.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.