TILBURG - De belangstelling voor christelijke rituelen is wellicht minder aan het uitdoven dan we denken. Onderzoekers tellen vaak alleen het tanende zondagse kerkbezoek en hebben geen oog voor wat er buiten de kerkmuren gebeurt. Daardoor onderschatten zij de religieuze beleving en praktijk in ons land. Dat zegt Paul Post, hoogleraar liturgie in Tilburg.
Post (42) doet al jaren onderzoek naar de moderne bedevaartcultuur en hij publiceert erover; vandaag houdt hij zijn inaugurele rede, over veranderingen in het rituele landschap in Nederland. In dit landschap ziet Post een verschuiving: de interesse in rituelen neemt niet af, zij verplaatst zich van binnen de kerk naar buiten. “Ik kan niet goed tegen mensen die klagen dat de kerken leeglopen”, zegt Post. “Dan denk ik: Kijk eens om je heen, naar wat er buiten de muren gebeurt. Er gaan duizenden mensen per jaar op bedevaart naar Santiago de Compostela. Tien jaar geleden waren dat er nog maar een paar honderd. Dit soort dingen moet je zien, je moet kijken naar wat er gaande is in een cultuur.”
De afgelopen decennia leek de belangstelling voor religieuze rituelen voorbij. Zelfs theologiestudenten zagen er het nut niet meer van in, merkte Posts voorganger, prof. G. Lukken, op. In 1984 schreef deze het boek 'Geen leven zonder rituelen'. Daarin toonde hij zich bezorgd over het feit dat rituelen verdwijnen, terwijl de behoefte eraan groot blijft. Lukken merkte dat veel psychotherapeuten in het ontstane vacuüm doken. Zij schreven hun cliënten rituelen voor, om de overgang naar een volgende levensfase te versoepelen. Een taak niet voor de therapeut, maar voor de samenleving, vond Lukken.
Nu ziet zijn opvolger steeds meer mensen, vaak los van de kerk, op een eigen manier vorm geven aan rituelen. Post geeft enkele cijfers over hoe groot dit rituele landschap buiten de kerk is: het pas begonnen project Bedevaartplaatsen in Nederland heeft al meer dan duizend bedevaartplaatsen uit heden en verleden gelokaliseerd. Daarvan trekt alleen het Zuidlimburgse Wittem al 200 000 bezoekers per jaar. In Noord-Brabant groeit de populariteit van de oogstdankvieringen, met jaarlijks al meer dan 20 000 bezoekers. Dit alles blijft buiten de kerkelijke statistieken.
“Vaak spelen deze rituelen in op een behoefte, waar de kerk niet of niet meer in voorziet”, zegt Post. Neem die oogstdankvieringen, missen in de buitenlucht, met een altaar van strobalen, de plaatselijke fanfare en een Brabantse koffietafel. “Ze komen tegemoet aan de behoefte van boeren om feest te vieren met leden van hun eigen bedrijfstak en aandacht voor de zorgen van het beroep”.
Ingetogen
Deze vieringen moeten het hebben van het massale spektakel. Andere nieuwe buitenrituelen zijn juist ingetogen, kleinschalig. Post laat een foto zien van een markering op de plaats van een plotselinge verkeersdood. “Vorig jaar overleed hier een jongetje, dat met zijn fiets onder een vrachtauto was gekomen. Een dag later stond op die plek een houten kruis met bloemen en planten. In de weken erna kwamen buren, klasgenootjes en ouders naar die plek. Soms om te bidden, soms om alleen een tijdje zwijgend te kijken.”
Dit perkje levert hooguit een foto in een lokale krant op. Maar soms halen markeringen van rampplaatsen de landelijke pers. Zo drukten buurtbewoners hun stempel op de plek in de Vrolikstraat in Amsterdam, waar een 12-jarig meisje werd vermoord. Zij haalden tegels weg, plaatsten een mozaïek op de grond en plantten er bloemen omheen. Nog bekender zijn de symbolen bij de plaats van de Bijlmerramp. Daar herinneren een houten plateau met planten, foto's en speelgoedbeertjes tot heden aan de ramp.
Een Duits onderzoek wees uit, dat vooral jongeren het initiatief nemen tot deze rituelen in de buitenlucht. “Mogelijk zoeken zij naar nieuwe rituelen, omdat de kerk hen niet genoeg aanspreekt”, peinst Post. “Bij een overlijden biedt de kerk van oudsher een avondwake, een begrafenismis en een laatste rustplaats. Jonge mensen willen echter elementen in het ritueel, waar de kerk niet voor kan zorgen”, zoals een teken op de plek des onheils, als aanvulling op de begrafenis.
Deze buitenrituelen zijn overal in opkomst, maar Post ziet toch een opmerkelijk regionaal verschil: “In het noorden zie je die markeringen van een verkeersdood vaker dan in het zuiden.” Waarom? “De meeste noorderlingen die zo'n ritueel uitvoerden, hebben bij navraag geen religieuze achtergrond en dus geen traditionele rituelen om op terug te vallen. Ik vermoed dat de zuiderlingen nog wel houvast hebben aan kerkelijke rouwrituelen.”
Hebben deze nieuwe rituelen nog iets met liturgie of godsdienst te maken? “Je moet die religieuze betekenis per geval bekijken”, meent Post. “Je moet onderzoeken wat de motieven zijn van de persoon die het uitvoert. Een bedevaart naar Santiago de Compostela is voor de één liturgie en voor de ander een vakantiewandeling. Ook de context is belangrijk: liturgie heeft altijd een groepselement, je doet het samen met anderen. Elk ritueel, liturgisch of niet, heeft meerdere functies. Een kruis op de plaats van een verkeersdode heeft ook een element van protest: tegen onveilig verkeer, dat slachtoffers eist.”
Liturgisten moeten hun vakgebied niet te eng benaderen, verder kijken dan de kerkgebouwen en ook oog hebben voor zo'n kruis op de plek van een ongeval. “Zeg niet te snel: dat is geen liturgie,” zegt Post. “Belangrijk is, dat mensen die los zijn geraakt van het rituele aanbod in de kerk, hier buiten langs de straat op zoek zijn naar nieuwe vormen. Vanuit dat perspectief gezien, is zo'n ritueel voor de liturgiewetenschapper bijzonder relevant.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.