DEN HAAG - Na elke verkiezing klinkt bij de RPF dezelfde verzuchting. Dat het zo niet langer kan met de kleine christelijke partijen, dat de RPF bij de volgende verkiezingen écht met het GPV samen moet. Bij de RPF, en in elk geval ook bij de jongere GPV'ers, vinden ze dat niet alleen inhoudelijk gezien volkomen logisch. Ze denken ook dat slechts een grotere kleine partij een serieus alternatief kan zijn voor het CDA.
Zaterdag wordt een nieuwe stap gezet in het samenwerkingsproces, dat uiteindelijk alleen maar kan uitmonden in een fusie - of in een voor eeuwig gescheiden optrekken van de twee kleintjes, samen goed voor vijf Kamerzetels. Op verzoek van de beide partijbesturen hebben de twee fractievoorzitters, Schutte van het GPV en Van Dijke van de RPF, een politiek manifest geschreven. Onderwerp van studie was de vraag, hoe de samenwerking tussen de twee partijen in Den Haag verder vorm kan krijgen.
Verder, want er wórdt al samengewerkt. Bij debatten spreekt de ene partij niet zelden namens de andere. Maar dat wordt meer ingegeven door de wens tot verantwoord gebruik van de tijd, dan door overtuiging. Dat moet veranderen, vinden de fractievoorzitters. De samenwerking moet geïntensiveerd, bijvoorbeeld door waar mogelijk samen fractievergaderingen te houden. Juist omdat er inhoudelijk zoveel raakvlakken zijn.
De RPF zit al sinds de oprichting in 1975 op de lijn van samenwerking. Liever vandaag dan morgen zou de 'noodwoning' voor orthodoxe christenen - die het CDA te principeloos vinden, het GPV te vrijgemaakt en de SGP te theocratisch - zichzelf slopen. Want electorale winst lonkt, nu een stem op het CDA niet automatisch meer een stem op de macht betekent. De fractievoorzitter van de RPF voorzag ooit een gouden toekomst voor de combinatie van GPV en RPF. Vijftien zetels zouden de twee kunnen halen.
Anderen houden het liever op zeven à tien. Als het ter rechterzijde van het CDA hetzelfde werkt als ter linkerzijde van de PvdA, is dit laatste een veel realistischer schatting. GroenLinks, een fusie tussen PPR, PSP, CPN en EVP, heeft nooit meer dan vijf zetels gehaald.
Maar ook inhoudelijk hoopt de combinatie GPV/RPF een goed alternatief te zijn voor CDA-stemmers. Het CDA heeft een bewuste keuze gemaakt zich in de campagne te richten op dat smaldeel dat ook wel oren heeft naar de boodschap van de VVD.
CDA-stemmers die de andere kant op neigen, naar links, laat het CDA liggen. Juist op die mensen denken de kleine christelijke partijen aantrekkingskracht te kunnen uitoefenen. Zij vinden dat ze volkomen ten onrechte in de hoek van klein rechts worden gezet. Niet dat ze zich links willen noemen; dat is in die kringen niet meteen een compliment. Liever spreken ze over christelijk-sociaal, wat staat voor onverminderde aandacht voor de zwakken in de samenleving, tegen een doorgeschoten vrije-marktdenken, voor een samenleving waarin niet de economie maar het milieu de inrichting bepaalt, tegen de 24-uurseconomie. Het zijn allemaal noties die bij een deel van de traditionele CDA-stemmers in de smaak vallen.
Fundament
Maar alleen de orthodoxe radicale denkers kunnen terecht bij de kleine christelijke partijen. RPF en GPV zijn immers ook de partijen die op ethisch gebied een rechtlijnig programma hebben: tegen abortus, tegen euthanasie, tegen homohuwelijk, tegen echtscheiding. Dat moeten teleurgestelde CDA-stemmers dan wel voor lief nemen. Want dat de kleintjes hun standpunten op dit gebied zullen nuanceren is uitgesloten; het is juist hun fundament.
In die ethische kwesties is er geen millimeter ruimte tussen GPV en RPF - en daarin verschillen ze ook haast nooit van het derde christelijke kleintje, de SGP. Maar aangezien die blijft weigeren vrouwen in de politiek meer te laten doen dan stemmen, is nadere samenwerking met de staatkundig gereformeerden niet aan de orde.
Inhoudelijk gesproken zijn er voor de fijnproevers wel nuanceverschillen tussen RPF en GPV. Het GPV heeft net iets meer dan de RPF vertrouwen in de economische ontwikkeling en heeft derhalve iets minder bezwaar tegen het groeidenken. De RPF wijst dit expliciet af en is, net als GroenLinks, onvoorwaardelijk voor een economie van het genoeg. Ook zet de RPF iets meer vraagtekens bij technologische vooruitgang dan het GPV.
Maar meer dan door dit soort inhoudelijke verschillen, wordt de vraag over samenwerking gekleurd door verschillen in cultuur. Bij de RPF vinden ze het GPV nogal zakelijk, nogal bestuurlijk. En GPV'ers verwijten RPF'ers een tikje emotioneel te zijn.
De wortels van beide clubs zijn dan ook totaal verschillend. Het GPV, in 1948 opgericht, is tot voor kort een exclusief gereformeerd-vrijgemaakte partij geweest. Mensen die dat 'ware' geloof niet aanhangen, zijn weliswaar nu ook welkom in het Verbond, maar veel leden dragen dat verleden nog wel in hun genen.
De RPF, begonnen in 1975, is altijd een oecumenische partij geweest, en wel een bijzondere mengeling van orthodoxe protestanten (christelijk gereformeerden, Nederlands gereformeerden) en mensen afkomstig uit de evangelische beweging. Daardoor zijn ze gewend om met geloofsgenoten uit andere kerken te praten, eerder te zoeken naar wat hen bindt dan wat hen scheidt - en dat is nu net niet de instelling die het GPV het grootste deel van zijn bestaan heeft bepaald.
Dit soort verschillen is moeilijk in feiten te pakken, maar ze werken door in de sfeer in de partijen. En in dit verband geldt heel sterk: hoe ouder, hoe meer gehecht aan de nestgeur die de partij altijd heeft gehad. Jongeren voelen dat veel minder, zij kunnen de stap om samen te gaan makkelijker zetten. Maar nu ook de fractievoorzitters met de zegen van het partijbestuur een manifest voor verdere samenwerking hebben geschreven, zal die oudere achterban zich over de twijfels heen moeten zetten. Overhaast hoeven ze dat niet te doen. Ze hebben er al jaren de tijd voor gehad. En het codewoord in deze kwestie is: doe voorzichtig!
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.