*

 
dossier

Archief

Bij de Fosse Ardeatine treurt Italië nog immer om de daden van Priebke

CÿCILE LANDMAN − 29/08/96, 00:00

ROME - Het mausoleum is indrukwekkend. Hier, bij de Fosse Ardeatine, de grotten waar de executies werden voltrokken, liggen meer dan vijftig jaar later op de tomben steeds weer verse bloemen. Het monument trekt veel bezoekers, en dat is niet alleen omdat het proces tegen een van de hoofdschuldigen, SS'er Erich Priebke, zich nu afspeelt.

De herinnering aan massamoord, in de laatste maanden van de oorlog in Italië, leidt nog steeds tot heftige emoties. De gebeurtenissen: Priebke stond de afgelopen maanden in Rome terecht voor een militair tribunaal wegens zijn actieve aandeel in deze 'represaillemaatregel', waardoor driehonderdvijfendertig mensen de dood in werden gejaagd. De rechters achtten hem schuldig aan moord, maar bepaalden ook dat de misdaad verjaard was en dat er dus geen grond bestond om hem in Italië vast te houden. Hij wacht nu op uitlevering aan de Bondsrepubliek, waar men hem al in de jaren zeventig wilde berechten, wat onmogelijk werd door een aantal blunders in het vooronderzoek. Veel Italianen waren woedend over de uitspraak, vooral de getuigen van toen.

“In de middag van 23 maart 1944 hebben criminele elementen een aanslag uitgevoerd door bommen te gooien op een Duitse politie colonne in de Via Rasella. Het Duitse commando heeft bevolen dat voor iedere vermoorde Duitser, tien criminele communistische Badoglianen gefusilleerd moeten worden. Dit bevel is reeds uitgevoerd.” Dit - enige - persbericht op 25 maart 1944 in de krant Il Messaggero betekende dat zeker driehonderdtwintig mensen waren omgekomen. De tamtam ging door Rome, maar niemand wist wat er was gebeurd. De slachtoffers konden niet alleen mensen uit het Italiaanse verzet zijn, aangezien hooguit een honderdtal daarvan zich in handen van de nazi's bevond.

De aanslag in de smalle straat Via Rasella was uitgevoerd door een commando van de GAP, Gruppi di Azione Patriottica, een militante tak van het Italiaans verzet. Die middag wachtte een jonge vrouw de Duitse colonne die er dagelijks voorbijkwam op, ze zwaaide met haar hoed, om de straatvegever verderop in de straat te waarschuwen. Die had in zijn handkar een bezem en de bom. Een minuut later dreunden de knallen door de straten en over het Piazza Barberini. Vanaf de hoek gooiden jongeren nog bommen naar de rest van de colonne. Tweeendertig Duitsers kwamen onmiddellijk om. De nazi's vuurden in paniek omhoog naar de huizen van waaruit de aanslag volgens hen had plaatsgevonden.

Ada Pignotti was tweeëntwintig: “Ik en mijn echtgenoot waren op bezoek bij mijn oom, die op de hoek van Via Rasella woonde. We hoorden de explosies. Na enige tijd kwamen fascisten en nazi's de huizen doorzoeken, ze pakten alle mannen op en namen ze mee, daarna kwamen ze weer terug en ook wij, vrouwen en kinderen werden meegenomen. Ons brachten ze naar een kazerne, waar we de nacht doorbrachten. Van onze mannen hebben we nooit meer iets gehoord. Tot we het bericht in Il Messaggero lazen. Toen dacht ik: ze zijn dood. Maar we kregen nooit een officieel bericht.”

In Berlijn, direct na de aanslag, sprongen Hitler en Himmler uit hun vel. Furieus waren ze. Eisten voor iedere dode Duitser vijftig dode Italianen en wilden de vernietiging van dichtbevolkte buurten. Kolonel Herbert Kappler, die verantwoordelijk werd gesteld voor het uitvoeren van de represaillemaatregel, moest minstens 330 ter dood veroordeelden ergens vandaan plukken. Willekeurig, er waren maar drie uitgeprocedeerden die de doodstraf wachtte voorhanden, werden gevangenen uit de Duitse en Italiaanse gevangenissen gehaald en in vrachtwagens naar de tufsteengrotten in het zuiden van Rome afgevoerd. Daar werden ze op 24 maart 1944 in grote haast afgeschoten, telkens vijf tegelijk.

Rome bleef onbekend met de feiten. Tot het bericht in Il Messaggero de geruchten bevestigde. “Het leek een tamtam, van de ene buurt naar de andere”, vertelt Franco Bordoni, een getuige, “van de ene persoon naar de andere; iedereen sprak erover, maar fluisterend, iedereen was doodsbang.” Hij besloot met zijn broer naar de catacomben te gaan, het idee was dat het daar ergens moest zijn gebeurd.

De tocht voerde hen echter niet naar de catacomben, maar er tegenover, naar de tufstenen grotten. “Bovenop de grot stond een soldaat met een geweer, hij zag ons, maar draaide zich om. Misschien was het geen SS'er. We gingen de grot binnen, donker en benauwd, we roken een verschrikkelijke lucht. We namen onze zakdoeken en - verontschuldig me - plasten daarover, die drukten we tegen neus en mond want de stank was onverdraaglijk. Mijn broer liep voor me, met een kaars, we kwamen bij een muur van aarde die we overklommen, we zakten er een beetje in weg met onze voeten. Aan de andere kant weer beneden hield mijn broer de kaars dichter bij de grond. Plotseling draaide hij zich om en schreeuwde: “Naar buiten, naar buiten!!” Snel gingen we de grot uit, mijn broer zag lijkbleek en zei: “Ik voelde stenen onder mijn voeten, toen ik keek bleken het botten.”

Het proces heeft nogal wat losgemaakt. Priebke werd 'ontdekt' door een paar journalisten van de Amerikaanse televisie ABC, die in het Argentijnse bergstadje Bariloche op zoek waren naar de organisatie Odessa. Deze organisatie zou na de oorlog de vlucht hebben geregeld voor nazi's die een veilig onderkomen zochten, en nu nog bestaan. Ze vonden er Erich Priebke, die in het dorp tussen andere Duitsers al jaren een rustig bestaan leidde onder zijn eigen naam.

Priebke had tijdens het bloedbad de namen afgeroepen, telkens vijf. Ze moesten geboeid knielen op hun dode voorgangers, om met een of meer nekschoten te worden gedood. Priebke had ook zelf geschoten.

Buiten het militair gerechtshof ontstond direct na de vrijspraak wegens verjaring een heftige rel. Familieleden van de slachtoffers, de 'bejaarde wezen' genoemd, schreeuwden om een echt proces, met duidelijke veroordeling. Jongeren raakten slaags met de politie, Priebke en zijn advocaat moesten hierdoor tot laat in de avond in het gerechtshof blijven. Door minister Flick van justitie in hoogst eigen persoon werd Priebke weer in bewaring gesteld. Zijn cel is nu in de oude gevangenis Regina Coeli, op dezelfde afdeling die vijftig jaar geleden werd uitgekamd op zoek naar kandidaten voor de represaille.

En het is nog niet afgelopen. Rechter Quistelli van het militaire tribunaal zal volgende maand zijn motivering voor de vrijspraak uiteen moeten zetten. Intussen proberen advocaten van nabestaanden een nieuw proces te forceren.

mailIcon print |