Deze week bracht de Israëlische president een bezoek aan Duitsland. Dinsdag hield hij voor de beide kamers van het Duitse parlement een indrukwekkende rede.
De herinnering verkort de afstanden. Tweehonderd generaties zijn voorbijgegaan sinds het moment waarop de geschiedenis van mijn volk begon, maar het schijnt mij toe dat slechts enkele dagen verstreken zijn. Tweehonderd generaties pas zijn voorbijgegaan sinds een mens met de naam Abraham opstond om zijn grond en zijn vaderland te verlaten en naar een land te trekken, dat thans mijn land is. Tweehonderd generaties pas zijn voorbijgegaan sinds Abraham de grot van Machpelah in de stad Hebron kocht tot aan de ernstige conflicten die zich daar in mijn generatie afspelen. Honderdvijftig generaties pas zijn voorbijgegaan tussen de vuurzuil bij de uittocht uit Egypte tot aan de rookzuilen van de Shoah. En ik, geboren uit de nakomelingen van Abraham in het land van Abraham, was overal bij.
Ik was een slaaf in Egypte en ontving de Tora op de berg Sinaï, en samen met Jozua en Elia stak ik de Jordaan over. Met koning David trok ik Jeruzalem binnen, en met Zedekia werd ik vandaar in ballingschap gevoerd. Ik ben aan de wateren van Babylon Jeruzalem niet vergeten, en toen de Heer Zion naar huis bracht, bevond ik mij onder de dromers, die Jeruzalems muren bouwden. Ik heb gestreden tegen de Romeinen en ben verdreven uit Spanje, ik werd de brandstapel in Magenza, in Mainz, opgesleept en ik heb in Jemen de Tora bestudeerd. Ik heb in Kishinev mijn familie verloren en ik ben in Treblinka verbrand. Ik heb gevochten in de opstand in Warschau en ik ben naar Eretz Israël gegaan, naar mijn land, waaruit ik in ballingschap was weggevoerd, waarin ik geboren werd, waaruit ik afkomstig ben en waarin ik ben teruggekeerd.
Rusteloos, voortsnellend, volg ik de sporen van mijn vaderen. En zoals ik daar en in die dagen bij hen ben, zo zijn mijn voorvaderen bij mij en staan zij hier en nu naast mij. De scherpzinnigen onder hen zult u herkend hebben - een stoet van profeten en boeren, van koningen en rabbijnen, van wetenschappers en soldaten, van handwerkslieden en scholieren. Sommigen stierven, moe van het leven, in hun bed, sommigen werden door vuur verteerd, en anderen vielen ten offer aan het zwaard.
En zoals van ons verlangd wordt om door de kracht der herinnering aan elke dag, elke gebeurtenis uit ons verleden deel te nemen, zo wordt ook van ons verlangd om ons door de kracht van de hoop voor te bereiden op elke dag van onze toekomst. Pas in de afgelopen eeuw echter wankelen wij tussen dood en leven, tussen vertwijfeling en hoop, tussen ontworteling en inplanting.
Dit is de verschrikkelijke eeuw van de dood, waarin de nazi's en hun handlangers velen van ons tijdens de Shoah hebben vermoord, maar het is ook de duizelingwekkende eeuw van de terugkeer naar het leven, van de wedergeboorte, van de onafhankelijkheid en uiteindelijk van de kans op vrede.
Voor de eerste maal spreekt een president van de staat Israël in dit hoge huis. Ik dank u voor de eer, die u ons hebt bewezen, en ik zie hier met vreugde bekende en bevriende gezichten. Meneer de bondspresident, mevrouw de voorzitter van de Bondsdag, meneer de bondskanselier, Israël herinnert zich ontroerd uw bezoek aan ons, uw houding jegens de gruwelen van het verleden, maar ook uw hoopvolle verwachtingen voor de toekomst.
Maar toch is dit geen gemakkelijk bezoek. Slechts vijftig jaren, niet meer dan een ogenblik in de lange geschiedenis van mijn volk, zijn verstreken sinds het einde van de verschrikkelijke oorlog tot de dag van heden. Het is mij niet licht gevallen vandaag het concentratiekamp Sachsenhausen te bezoeken. Het valt mij niet licht in dit land te zijn, de herinneringen te horen en de stemmen, die vanuit de aarde tot mij roepen. Het valt mij niet licht hier te staan en u toe te spreken, mijn vrienden in dit huis.
Duizend jaar en langer leefden er joden in Duitsland. Tot aan de vernietiging door de nationaalsocialisten was dit de grootste en oudste joodse gemeente in Europa. Rabbenu Gershom, licht in de ballingschap, Walter Rathenau, Martin Buber, Frans Rosenzweig, Albert Einstein - het zijn slechts een paar namen, die dit land heeft gekend. Onder de miljoenen kinderen van mijn volk, die door de nazi's de dood zijn ingevoerd, waren er meer, die wij ons vandaag met evenveel eerbied en hoogachting zouden kunnen herinneren. Maar wij kennen die namen niet. Hoeveel boeken, die nooit zijn geschreven, zijn met hen gestorven? Hoeveel symfonieën, die nooit zijn gecomponeerd, zijn in hun kelen verstikt? Hoeveel wetenschappelijke ontdekkingen hebben niet in hun hoofden kunnen rijpen? Iedere individuele man en vrouw is hier tweemaal gedood. Eenmaal als kind, door de nazi's het kamp ingesleurd, en eenmaal als de volwassene die hij of zij niet mocht zijn. Het nationaalsocialisme heeft hen niet alleen weggerukt uit hun familie, hun volk, maar uit de gehele mensheid. Als president van de staat Israël kan ik over hen rouwen, kan ik hen gedenken, maar ik kan niet in hun naam vergeven. Ik kan slechts vragen, dat u met uw kennis van het verleden uw gedachten ook op de toekomst richt. Dat u ieder spoor van opkomend racisme opmerkt en ieder spoor van opkomend neonazisme de kop indrukt.
Ik vermoed dat ook voor u het bezoek van de Israëlische president een aantal niet gemakkelijke momenten met zich brengt. Maar wij ontmoeten elkaar hier niet als privé-personen maar als vertegenwoordigers van soevereine staten; wij moeten zoeken naar wat ons verbindt om onze doelstellingen te verwezenlijken.
Rusteloos ben ik, voortsnellend. Met de rugzak vol herinneringen op mijn schouders en de staf van mijn hoop in de handen betreed ik de grote kruising der tijden aan het einde van de twintigste eeuw. Ik weet waarvandaan ik kom, en vol hoop en bezorgdheid verlang ik te weten waarheen ik ga. De staat Israël bevindt zich op het hoogtepunt van een bemoedigende en voortgaande ontwikkeling, die echter tegelijkertijd aanleiding is tot zorg en angst. Ze heeft reeds het leven van leidende politici in het vredesproces geëist, het leven van de Israëlische minister-president Jitschak Rabin, die koelbloedig is vermoord door een vijand van de vrede, en voordien het leven van de Egyptische president Anwar Sadat. Maar het vredesproces is het belangrijkste proces sinds de stichting van de joodse staat. En wij bevinden ons op dit moment op het hoogtepunt ervan.
Langer dan de honderd jaren van de realisering van het zionisme hebben wij op deze vrede gehoopt en ernaar gestreefd haar te bereiken. Niet op slagschepen zijn wij naar ons vaderland teruggekeerd, niet met geheven speren naar huis gemarcheerd. In karavanen van dromers kwamen wij terug, als uitgemergelde vluchtelingen in boten. We keerden terug en zoals onze voorvaders deden kochten wij grond, zaaiden op de velden, plantten wijngaarden, bouwden huizen, en nog voordat wij een staat hadden gevestigd, moesten we naar de wapens grijpen om ons leven te beschermen.
Steeds weer hebben wij een verzoenende hand uitgestoken, steeds weer werden we afgewezen. Steeds weer moesten we ten strijde trekken, steeds weer doden en gedood worden. Wij verlangen naar deze vrede, we dromen ervan en bidden erom; want deze vrede komt ons tegemoet op iedere bladzijde van het joodse denken: in de Tora en in de psalmgezangen, in de Talmoed en in de Midrasj. Wij voeren dit broze, kwetsbare vredesproces, omdat we van hoop bezield zijn. En ik ben er zeker van dat we daarbij ook rationeel en pragmatisch te werk gaan. Terreurorganisaties en extreme islamitische landen proberen, evenals radicale elementen in ons midden, het vredesproces te saboteren. Er heerst een gespannen sfeer, de situatie is niet gemakkelijk. Niet alleen door het moordzuchtige fanatisme dat zich ten doel gesteld heeft deze vrede te vernietigen, maar ook omdat zich zelfs in de harten van de vredestichters angst genesteld heeft en de wonden aan beide kanten nog open, de herinneringen nog vers zijn. Nog roept vanuit de aarde het bloed tot ons.
In het verleden is menig vredesverdrag ondertekend. Er werd dan gesproken over economische betrekkingen en veiligheidsregelingen, over schadeloosstellingen en grenzen. Als minister van defensie in de Israëlische regering heb ik deelgenomen aan de vredesonderhandelingen tussen Israël en Egypte, en ik kan u zeggen dat ook in de vredesakkoorden in het Nabije Oosten nauwlettend op deze aspecten werd toegezien, maar niet alleen daarop. Bij ons gaat het ook over heilige grond, over heilige graven, over heilige oorlogen. Herinneringen uit de tijden van Josua Ben-Nun, de tempelridder, uit de dagen van een Pontius Pilatus en een Saladin zweven om de onderhandelingstafel.
In de jongste overeenkomst met de Palestijnen werd ook een passage ingevoegd over de wijze waarop beide volkeren moeten leren in vrede samen te leven. In het Nabije Oosten, waar eeuwenoude begrippen als wraak en afrekening een chaotische rol spelen, is voorzichtigheid dubbel geboden. Het hoofd zou graag praktisch en verstandig te werk willen gaan en bouwen aan de toekomst, de voeten stappen in de afdrukken die oeroude generaties ter plekke hebben achtergelaten, en de handen zijn nog diezelfde handen die eens, in de tijd van de terugkeer naar Zion, de muren van Jeruzalem hebben gebouwd - slechts één hand verricht het werk, want de andere houdt het wapen vast.
Vat u dit alles alstublieft niet licht op. Wij proberen een vrede te bewerkstelligen die ons de eenentwintigste eeuw zal invoeren. Maar aan de muur hangen nog de oude kaarten van kruisvaarders, en in de lucht zweven nog oude bijbelse herinneringen. Vroegere profetieën willen zich gerealiseerd zien. En aan de onderhandelingstafel zitten, samen met ons, de gasten uit de diepte der tijden, afgezanten uit andere tijdperken: Josua Ben-Nun en David Ben-Isai, de profeet Mohammed en Jezus van Nazareth. En zij slaan ons nauwlettend gade. Soms is deze last te zwaar om te dragen, maar ondanks de zwaarte ervan, ondanks het verdriet, moet zij toch ook de bron van onze kracht, de oorsprong van onze hoop zijn.
Wij respecteren onze buurlanden en de ons omringende culturen. Wij zouden graag onze plaats in hun midden innemen, maar op onze manier en trouw aan onze normen en onze cultuur. U, die een beslissende bijdrage aan de kracht van de staat Israël en aan het vredesproces hebt geleverd, weet, dat beide elementen met elkaar verbonden zijn. Want alleen dank zij de kracht van de staat Israël konden wij het vredesproces beginnen.
Ik heb het niet alleen over militaire sterkte en niet aleen over materieel bezit. In de laatste honderd jaar, sinds onze terugkeer naar Eretz Israël, hebben wij daar niet alleen dorpen en steden gevestigd, niet alleen fabrieken, boerderijen, kantoren en militaire bases gebouwd, maar er ook een democratisch systeem ontwikkeld en een omvangrijk cultureel en pedagogisch netwerk tot stand gebracht: kleuterverblijven en scholen, wetenschappelijke instituten, bibliotheken, musea, conservatoria en universiteiten.
Maar behalve dat alles, dat in elke beschaafde staat te vinden is, hebben wij nog een bijzonder cultuurwonder verricht: we hebben onze taal, het Hebreeuws, tot nieuw leven gewekt. Het is de taal waarin ik nu tot u spreek, die meer dan wat ook het symbool en het getuigenis van onze wedergeboorte is.
Wij leven en onze taal leeft. Wij, die ons uit de as hebben opgericht, en onze taal - die in de lijkwade van de Torarollen en tussen de bladzijden van de gebedenboeken heeft gewacht - leven. De taal, die alleen in het gebed werd gefluisterd, alleen in de synagoge werd gelezen en alleen in religieuze teksten werd gezongen, de taal die in de gaskamers - in het gebed Shema Jisrael - werd uitgeschreeuwd, zij is tot nieuw leven gewekt. Ik weet, dat de Duitse taal op veel terreinen rijker is dan de Hebreeuwse. Mij ontbreken echter geen begrippen om hier en nu mijn gevoelens tot uitdrukking te brengen, en zeker ontbraken ons nooit woorden voor geloof, liefde, dromen, verlangen en hoop. Wij hebben een woordenschat ontwikkeld, die beantwoordt aan onze bijzondere noden. Wij wachten, wij hopen. Wij verlangen, wij verwachten. Verlangen grijpt ons aan, verwachting vervult ons, hoop en verbeiden zijn onze begeleiders. Wij bidden en smeken.
De beide doden die na zoveel jaren weer tot leven zijn gewekt - de joodse staat en de Hebreeuwse taal -, zijn de belangrijkste elementen van ons wezen in deze eeuw. Juist in deze eeuw, die onze vernietiging, onze dood, heeft aanschouwd, zijn wij tot leven opgestaan. En in deze taal, waarin wij in de ballingschap alleen met God spraken, spreken wij vandaag in ons land met elkaar. We bidden nog steeds in het Hebreeuws, maar we spreken deze taal nu ook in het leven van alledag, we schrijven Hebreeuws en werken in het Hebreeuws, we studeren in het Hebreeuws en maken ruzie in het Hebreeuws, we dingen naar elkaars hand in het Hebreeuws en zingen in het Hebreeuws. Is er groter wonder?
Mijn voorvaderen hebben de vrede beschreven in een Hebreeuws gezegde, dat iedere boer, iedere landarbeider in het Nabije Oosten lijfelijk kan ervaren: “Ieder zal onder zijn eigen wijnstok en vijgeboom wonen.” Het is niet genoeg in de schaduw van de wijnstok en onder de takken van de vijgeboom te zitten. De vrede moet aansporen en mag niet inslapen. Ze moet ons het vijfde duizendtal jaren van onze geschiedenis binnenleiden.
De toekomst ligt voor ons. Het huidige Israël, met de massale immigratie, met de economische opbloei en de vredesakkoorden, moet en kan weer het grote culturele centrum van het joodse volk worden. Te lang hebben wij onze middelen en bronnen, onze psychische kracht en fysieke sterkte ingezet op het slagveld. Nu ligt onze opdracht op de scholen en wetenschappelijke instituten, in fabrieken en laboratoria. De joodse ethiek heeft altijd de voorkeur gegeven aan pedagogen, geleerden en wetenschappers boven mensen in het leger. En gelooft u mij dat het mij, als voormalig militair, niet licht valt dit te zeggen.
Wij zijn een volk van herinnering en gebed. Wij zijn een volk van woorden en van hoop. We hebben geen rijk geschapen, geen kastelen en paleizen gebouwd. Wij hebben slechts woorden aaneengeregen. Wij hebben ideeën op elkaar gestapeld, huizen van herinneringen gebouwd en torens van verlangen gedroomd - moge Jeruzalem weer opgebouwd worden, moge spoedig, in onze tijd, de vrede gesticht en bereid worden. Amen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.