*

 
dossier

Archief

Een unieke schaatservaring, de pers en de grote monden

J.W. SCHABERG − 07/02/96, 00:00

Wat verschrikkelijk was dat zeg! Ik las in de maandagkrant over die schaatstocht over het IJsselmeer. Een dodelijk slachtoffer, allemaal gewonden, noodvervoer van deelnemers terug naar hun plaats van vertrek, hobbels en vastgevroren schotsen op het ijs, een ernstig tekortschietende organisatie, en geen koek-en-zopie! Wat ben ik blij dat ik dat niet heb meegemaakt.

Ik heb zondag ook van Enkhuizen naar Staveren en terug geschaatst, maar de tocht die de media beschrijven, was de mijne niet. Ik heb een absoluut unieke ervaring gehad, echt iets wat ik over dertig jaar nog aan mijn kleinkinderen zal kunnen vertellen.

Het was een prachtige dag, en veel meer dan 30 000 mensen gingen in volmaakte vrede in een eindeloze mierenkolonne over het ijs, intens bewust van het feit dat ze dit unieke feest konden meemaken, zo oer-Nederlands als in oude schoolboekjes, en toch elk voor zich geconcentreerd op eigen benen, eigen schaatsen, eigen genot en eigen vermoeidheid. Want het IJsselmeer blijft natuurlijk groot water of groot ijs, geen gladde kunstijsbaan of keurig dichtgevroren sloot, en de meeste schaatsers weten dat. Het is primitiever, ruiger. Daar kwamen we eerlijk gezegd ook voor. Voor onderweg hadden we mandarijnen en boterhammen met spek meegenomen, want halverwege is er natuurlijk niets te krijgen. Daar gingen we tenminste van uit, en zo was het ook. En terwijl we zo voortschaatsen en soms krabbelden dachten we af en toe aan de organiserende ijsverenigingen die met grote inzet van vrijwilligers zo'n gebeurtenis mogelijk maakten, als een prachtig voorbeeld van wat burgerzin kan opleveren aan plezier voor duizenden. Moe en voldaan keerden we terug naar huis, met juist genoeg spierpijn en doorstane ontberingen om enkele stoere verhalen te kunnen vertellen.

Toen we thuis kwamen vielen vrouwen en kinderen ons snikkend om de hals. Die hadden op het nieuws gehoord over rampzalige toestanden en ze meenden al dat ze ons zouden moeten ophalen in een of ander crisis-opvangcentrum. Wij hadden op de autoradio onderweg ook al de paniekverhalen aangehoord, en wij verwonderden ons.

Het overkomt me wel vaker tegenwoordig dat ik de krant lees, of de media in ruimere zin volg, en me voel als Alice in Wonderland. Volgens alle objectieve criteria woon ik in een land dat al vijftig jaar geen oorlog kent. De mensen zijn er gezond, ze zijn goed gekleed, en iedereen koopt regelmatig iets lekkers voor zichzelf, zomaar, voor de aardigheid. Maar de kranten en de tv-nieuwsrubrieken zijn het er over eens dat de wereld ten diepste kwaad in elkaar steekt. Het natuurlijk milieu staat op instorten, miljoenen mensen slachten elkaar af in verre landen, in Canada worden zeehondjes doodgeknuppeld, en het verslag van een gemiddelde Hollandse schaatstocht noemt in de eerste plaats doden en gewonden.

Mijn werkelijkheid zit anders, vriendelijker in elkaar. Ik krijg natuurlijk van mijn omgeving te horen dat dat een rose Barbie-wereld is, en dat ik de ogen sluit voor al het leed op de wereld. Maar op grond waarvan is de wereld van de media, de wereld van de krant, echter dan de mijne? Is die wereld niet veel meer dan de mijne een spiegelzaal, een samenspel van elkaar reflecterende illusies? Een verzameling verhalen die de media halen omdat ze uit de grootste monden komen? Van het woekerende legioen persvoorlichters van ministeries en bedrijven bijvoorbeeld, en de internationale nieuwsdiensten die op andere plekken hun oor aan grote monden lenen.

Mag ik voorstellen dat de journalistiek weer eens wat verder begint te kijken dan het beeldscherm, de volgende persbijeenkomst in de wereld van werkgeversorganisaties en gezondheidskoepels, of het incestueuze Haagse circuit van rondzingende non-feiten? Kan de pers zich niet eens voornemen dat zij alles wat door een grote mond wordt uitgekraamd, dubbel zal wantrouwen? Peter Handke had daar zaterdag iets over te zeggen, toen hij schreef over de verdacht eensgezinde verkettering van de Serviërs.

Misschien zullen we dan ook weer eens meemaken dat de daadwerkelijke smokkel van drugscontainers door dubieuze politie-agenten op de voorpagina komt, op heterdaad gesignaleerd door een ondernemende redacteur van een kwaliteitskrant, in plaats van de weergave van het verslag, jaren na dato, van de verhoren over de smokkel en de uiteenlopende commentaren op dat verslag. Het nieuws komt niet verder dan de laatste ronde speculatie over de vraag welke hoge ambtenaar of minister in het zand bijt. Dat is gemakkelijk, daarvoor hoeft de journalist niet eens het redactielokaal te verlaten. De grote monden komen zelf wel langs.

De maandagkrant is altijd zo dun. Dat komt, denk ik, doordat de grote monden op zaterdag en zondag vrij hebben. Misschien kunnen de journalisten dan eens een schaatstochtje maken, zelf indrukken opdoen, en als nieuwsfeit melden dat meer dan dertigduizend Nederlanders een prachtige dag op het dichtgevroren IJsselmeer hebben gehad.

mailIcon print |