Israël investeert voor miljarden in de westelijke Jordaanoever. Israëliërs vragen zich af of er geen goedkopere manier is om 's lands veiligheid te waarborgen, terwijl Palestijnen vrezen dat Israël zijn bevolkingsproblematiek, 'Oslo' of geen 'Oslo', wil afwentelen op hun in 1967 veroverde woongebied.
Het kan ook de 'definitieve vredesregeling' worden tussen Israël en de Palestijnen, bijvoorbeeld als de rechtse Likoedpartij volgend jaar de verkiezingen wint. De Likoed kan dan, zonder beletsel van betekenis, zijn oude bouwprogramma van joodse nederzettingen voortzetten.
De hiernaast afgedrukte kaart, ontworpen door de Nederlandse geograaf Jan de Jong die jarenlang onderzoek verrichtte in de westelijke Jordaanoever, geeft de situatie weer die zal ontstaan als zowel de eerste fase van de akkoorden van Oslo van 1993 wordt uitgevoerd, als ook reeds goedgekeurde Israëlische bestemmingsplannen - wat het verdrag van Oslo niet verbiedt.
Leger 'Oslo' voorziet in een terugtrekking van het Israëlische leger uit 'dichtbevolkte Palestijnse gebieden'. Na de voltooiing van die terugtrekking (streefdatum op dit moment midden 1997) moeten volgens 'Oslo' de Palestijnen en Israëliërs gaan praten over een definitieve vredesregeling. Beide partijen onderhandelen momenteel nog over de eerste fase van de terugtrekking, uit de steden Djenin, Nabloes, Toelkarm en Kalkilia. Later zal het leger ook, in fasen, vertrekken uit Ramallah, Betlehem, Hebron en delen van het platteland. Als die hele operatie is voltooid zijn er in Israël al weer verkiezingen geweest, met de kans dat de rechtse Likoedpartij, nu in de oppositie, dan weer aan de macht is.
Niets terecht In dat geval komt er, gezien de negatieve houding van de Likoed ten opzichte van 'Oslo', waarschijnlijk niets terecht van een definitieve regeling. De interim-regeling voor vijf jaar, waarover Oslo het heeft, krijgt dan een min of meer definitief karakter. Bovendien zal de Likoed de uitbreiding van nederzettingen en de aanleg van wegen, waarvoor de bestemmingsplannen al zijn goedgekeurd, nog sneller dan nu al gebeurt ter hand nemen.
Soortgelijke ontwikkelingen zijn mogelijk als de huidige coalitie, onder leiding van de Arbeiderspartij, geen heil meer ziet in verdere onderhandelingen (bijvoorbeeld na terreuraanslagen) of geen zin heeft om de miljardeninvesteringen te niet te doen die nu al zijn (en worden) gedaan in de westelijke Jordaanoever.
Geograaf Jan de Jong deed jaren onderzoek voor het Palestine Geographic Research and Information Centre naar de Israëlische nederzettingenpolitiek. In 1967 veroverde Israël de westelijke Jordaanoever op Jordanië. Het was toen nog een aaneengesloten gebied. De bouw van joodse nederzettingen en de aanleg van wegen heeft daaraan radicaal een eind gemaakt.
Volgens De Jong beseffen ook Palestijnse leiders onvoldoende hoe radicaal die verandering is. De westelijke Jordaanoever in zijn huidige vorm kan, vanuit geografisch perspectief, geen basis meer bieden voor een Palestijnse staat, behalve als Israël definitief afziet van geplande nieuwe wegen en uitbreidingen, en de bestaande wegen en nederzettingen ontruimt of onder Palestijnse soevereiniteit laat plaatsen. Daarmee zou Israël wel miljardeninvesteringen uit handen geven. Investeringen die nog altijd door gaan, ook vanuit de privésector.
Hoe klein de kans op ontruiming van de nederzettingen veel Israëliërs achten, blijkt uit de huizenprijzen. Die namen sinds november in de grootste nederzettingen met 40 procent toe, zoals in Ariel. Al kan dat deels ook toegeschreven worden aan kooplustige speculanten die bij ontruiming gokken op enorme schadevergoedingen.
- Vervolg op pagina 5
Jordaanoever als Tel Avivs 'groene hart' VERVOLG VAN PAGINA 1
Bij het maken van zijn kaart probeerde De Jong een invulling te geven aan het begrip 'dichtbevolkte Palestijnse gebieden'.
Daarbij ging hij uit van de veiligheidswensen van de nederzettingen, en de pogingen tot separatie, waarbij het de bedoeling is om de anderhalf miljoen Palestijnen en de nu nog ongeveer 150 000 joodse kolonisten (Oost-Jeruzalem niet meegerekend) of bijna 300 000 (Oost-Jeruzalem wel meegerekend) van elkaar te scheiden. Vooral geïsoleerde dorpen, dichtbij een nederzetting, een militaire basis of een verbindingsweg tussen nederzettingen, lopen kans dat het leger er zal blijven. Waarschijnlijk zal het leger in zo'n 15 procent van de dorpen blijven.
Belangrijk is wat er gebeurt met het Israëlische 'wegenplan 50', uit begin jaren tachtig. Een aantal bestaande verbindingswegen tussen nederzettingen maakt deel uit van dat plan voor een alternatief wegennet, dat geheel is toegespitst op de behoeften van joodse nederzettingen. Het moet zorgen voor directe verbindingen met Israël, zodat kolonisten in hun woon-werkverkeer Palestijnse dorpen en steden kunnen mijden.
Als dat plan geheel zou worden uitgevoerd zouden er twee goeddeels gescheiden wegennetten ontstaan, het oude Palestijnse en het nieuwe van de nederzettingen. Op de kaart staan zowel Palestijnse wegen aangegeven als het 'wegenplan 50', het uitgevoerde en niet uitgevoerde deel. In Israël is een discussie gaande over de wenselijkheid van dat wegenplan. De opeenvolgende Israëlische regeringen hebben het nooit in zijn geheel uitgevoerd. Het is wel goedgekeurd. Delen zijn gerealiseerd in de vorm van verbeteringen van de verkeersveiligheid, zoals rondwegen rondom Palestijnse dorpen.
Het valt op dat juist na 'Oslo' er wel wegen worden aangelegd die passen in dat plan, dat zolang mondjesmaat werd uitgevoerd. Soms gebeurt dat met kennelijke instemming van het Palestijnse autonomiebestuur. Dat heeft even weinig belang bij aanslagen als Israël, en lijkt in gescheiden wegen een waarborg daartegen te zien. Toen Israël in 1967 de westelijke Jordaanoever bezette was het een apart, aaneengesloten gebied. Satellietfoto's kunnen de misleidende indruk wekken dat dat nog zo is. Door zijn intensievere landbouw was Israël destijds groener dan de westelijke Jordaanoever. Dat kleurverschil is er nog, maar toch is er nu een enorme vervlechting. Opvallend is de uitstraling van de 'metropool Tel Aviv' oostwaarts. Als alle bestemmingsplannen worden uitgevoerd zal de keten van nederzettingen ten oosten van Tel-Aviv bijna doorlopen tot Jordanië. Een centrale schakel wordt Ariel, dat ruim tweehonderdduizend inwoners kan krijgen, meer dan Nabloes, de grootste Palestijnse stad na Oost-Jeruzalem.
Bevolkingsexplosie Om het in Nederlands perspectief te plaatsen, met de westelijke Jordaanoever is er iets aan de hand als met het groene hart van Zuid-Holland. Beide gebieden kennen een sterke verstedelijking, met Tel-Aviv en Jeruzalem als een uitpuilende randstad. Israël kent een grote immigratie. Satellietsteden in de westelijke Jordaanoever, met Tel-Aviv en Jeruzalem verbonden door een efficiënt en veilig wegennet, zijn een voor de hand liggende oplossing. Maar ook de Palestijnen hebben een bevolkingsexplosie, door geboorten, terwijl hun mogelijkheden tot stadsuitbreiding grotendeels zijn uitgeput, als gevolg van het nederzettingenbeleid.
Die nederzettingen zijn doorgaans aangelegd op grond met economisch beperkte betekenis. In het Arabisch heette die mawaat, 'dode grond'. Alleen voor herders had ze direct nut. Maar ze had wel een potentiële waarde voor uitbreiding. Die 'reserve' zijn de Palestijnen kwijt. De mawaat-gronden kenden geen privé-eigendomsrechten. Ze behoren tot de zogeheten 'staatsgronden', die samen 50 procent uitmaken van het totale oppervlak van de westelijke Jordaanoever. De meeste mawaatgrond ligt bij de rivier de Jordaan en de Dode Zee, waar van oudsher bijna geen bewoning was. Maar ook in het dichtbevolkte centrum vormen de mawaatgronden een aanzienlijk deel van het totale oppervlak, en hadden ze de Palestijnen een uitweg kunnen bieden voor hun bevolkingsproblematiek. Nu is de kans groot dat in het Palestijnse 'eilandenrijk' zich toestanden van overbevolking zullen ontwikkelen zoals nu al in de strook van Gaza. De stad Ramallah heeft geen uitbreidingsmogelijkheden meer. Mensen bouwen extra-verdiepingen op bestaande huizen, of bouwen nieuwe huizen in tuinen.
De 'staatsgronden' hebben nog een andere betekenis. De Palestijnen en de Israëliërs vechten een strijd uit over water. Een belangrijke ondergrondse watervoorraad ligt in het westen van de Jordaanoever en het oosten van Israël. In het overleg over de definitieve regeling komt aan de orde wie de soevereiniteit krijgt over de 'staatsgronden'. Als de Palestijnen die krijgen hebben ze een sterkere aanspraak op de watervoorraad.
De kaart biedt veel aanknopingspunten voor een doemscenario, van overbevolkte Palestijnse 'reservaten' zonder toereikende bestaansmiddelen, waar ontgoocheling en verpaupering tot explosies kunnen leiden, of tot een uittocht naar het buitenland. Van Israëlische zijde klinken optimistischer geluiden. Volgens een analyse op de Israëlische radio is er na de eerste fase van de terugtrekking sprake van 'Palestijnse eilanden', maar later zal een omgekeerde situatie ontstaan: Israëlische 'eilanden' in Palestijns gebied.
Het doet denken aan geluiden uit 1993 toen 'Oslo' tot stand kwam. Toen heette het dat het probleem van de nederzettingen zichzelf zou oplossen. De Israëlische vredesbeweging Vrede Nu kwam zelfs met een kaart waarop de nederzettingen stonden aangegeven als vlekjes in een verder Palestijns gebied. Uit de kaart van De Jong blijkt hoe onjuist die voorstelling van zaken is.
Israëls premier Jitschak Rabin noemde onlangs Amerikaanse rabbijnen, die ageerden tegen de overdracht van grondgebied, ajatollahs. Minister van buitenlandse zaken Sjimon Peres sprak van een einde van de filosofie die is ontstaan na de oorlog van 1967. De kaart van De Jong geeft instrumenten om in de nabije toekomst te kunnen meten of zulke geluiden in overeenstemming zijn met ontwikkelingen in het veld.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.